De gestolen prinses

Brigitte Raskin heeft nooit gekozen voor evidente boeken. Ook dit 'jeugdboek' dat ook door volwassenen zal worden gesmaakt, vraagt een kleine inspanning. De lezer wordt in veelvoud beloond met een meeslepende tocht langs de koninklijke hoven van de jaren 1500, met inzichten over kunst én het pakkende relaas van een vrouw die haar leven aan haar gehandicapte zus wijdt.

journalist Jo de Ruyck

Over het boek

"Laat me meteen beginnen met datgene wat me op de lippen brandt: ik was het die op vrijdag 13 juli 1984 in het stadhuis van Mechelen het schilderij Poppenspel aan het Hof van Margareta van Oostenrijk De Mechelse Week kapotmaakte door prinses Isabella eruit te snijden. Het stadsblad noemde dat vandalisme, volgens mij was het diefstal en golden er verzachtende omstandigheden."

An draagt haar grote geheim al jaren met zich mee en gaat pas nu over tot bekentenissen. Waarom beschadigde ze het doek van Willem Geets? Wat heeft haar zus Els daarmee te maken? Vanwaar haar fascinatie voor Isabella van Oostenrijk? Tegelijk met het levensverhaal van de prinses vertelt An het drama van haar zus. Aan de hand van zestiende-eeuwse portretten hangt ze een beeld op van de tijd van keizer Karel en neemt ze je mee op de speurtocht naar een diep verstopt familiegeheim. Een vorstelijk verhaal vol sterke vrouwen en machtige mannen, een tragisch verhaal van kinderleed en verdriet.


Fragmenten

fragment 1

Ik keek naar het schilderij, naar de poppen op de kist naast het roze meisje, en zag in gedachten onze poppen verweesd in hun doos liggen en werd daar zo wee van dat het pijn deed in mijn buik, een gevoel dat me toen voor het eerst overviel en ik daarna dikwijls zou hebben als iets me aan thuis deed denken. Ik had dan niet zozeer verdriet om wat er was gebeurd, maar barstte van verlangen naar wat er niet meer was.
Els lag al meer dan twee maanden in coma in het ziekenhuis. Telkens wanneer ik bij haar op bezoek mocht gaan, schrok ik. Ze lag daar aan slangetjes en apparaten, steeds met gesloten ogen. Ze herkende niet eens haar eigen knuffel Kroes die ik altijd meebracht en die de verpleegsters tegen haar bleke wang drukten zonder dat ze dat scheen te voelen.
"Als Els helemaal beter is, mogen wij hier dan met zijn tweeën ons huiswerk komen maken?" vroeg ik tante Leen toen ze me kwam halen en ik weer braaf op mijn stoel in de kamer zat.
"Dat kunnen jullie dan toch thuis doen," zei ze, "jij en je grote zus."
Met "thuis" bedoelde ze ons huis, niet haar appartement, dat te klein was voor ons drieën. Het scenario lag klaar, het was ook een troostverhaal: als Els uit haar coma ontwaakte en weer helemaal beter was, zou ik niet meer bij tante Leen slapen, maar zou tante Leen bij ons komen wonen. Het was het mooiste waaraan ik kon denken als ik 's avonds in slaap probeerde te raken in het kamertje bij tante Leen, dat nu zogezegd het mijne was, met mijn knuffels op het bed en mijn foto's aan de muur, maar dat toch nog altijd rook als het logeerkamertje dat het voordien was geweest.  

fragment 2

Elisabeth werd moeder op haar zeventiende en kreeg méér dan drie kinderen. Kroonprinsje Hans kwam eerst en mor Sigbrit mocht zijn petemoei zijn. In 1519 volgden Maximiliaan en Filips, een tweeling die maar enkele dagen leefde. Het eerste dochtertje, Dorothea, werd geboren in 1520, het tweede, Christina, al in 1521. Het jaar daarop, 1522, was het de beurt aan nummer zes, een jongetje, maar dat leefde zo kort dat het geen naam kreeg.
Elk jaar een kind, het was een ongeschreven wet in een koninginnenleven. De wankele gezondheid van Elisabeth maakte haar zwangerschap wel zwaar - alsof ze niet de dochter maar een tegenpool van haar moeder Johanna was. Na de dood van de tweeling was Christiaan blijkbaar zo bang dat het bij één kind zou blijven dat hij Elisabeth een raadgevende brief stuurde, eigenhandig geschreven en niet, zoals de gewone koninklijke post, uitbesteed aan een secretaris. Niet zo ongewoon was dat Christiaan de brief in Kopenhagen had geschreven, waar de koning en de koningin hetzelfde kasteel bewoonden maar toch in aparte appartementen leefden, zij nagenoeg permanent in verwachting, hij in beslag genomen door bestuurszaken. "Lieve vrouwe", begon Christiaan zijn brief, "een Franse dokter die ik ontmoette, raadt u af om rijnwijn te drinken, zoals u dat nu doet, zonder water erbij." Dat is niet goed voor zwangere vrouwen, vervolgde hij, en schadelijk voor de gezondheid van hun baby's. Pure rijnwijn was volgens de Franse dokter te "heet" en ontredderde de spijsvertering. "Als u wijn wilt drinken, neem dan rode," raadde Christiaan zijn vrouw aan, "want die is niet schadelijk." En als zij naar hem zou luisteren, zo besloot hij zijn brief, "kom ik binnenkort naar u toe of laat ik u ontbieden." Want zo ging het er in zo'n kasteel aan toe: de koning gaf de koningin rendez-vous en daar kwam dan het volgend prinsje of prinsesje van, in dit geval weer wel een gezonde baby, Dorothea.


Recencies

Lien Fret, de leeswelp, nr. 8, november 2009

Een eeuw geschiedenis in boekformaat

Laat jongeren een tekst lezen over de 16e-eeuwse Habsburgers en je krijgt gegarandeerd een hoop gezeur. Brigitte Raskins eerste jeugdboek De gestolen prinses zal bij jonge lezers waarschijnlijk wat minder stof doen opwaaien. In deze prachtig uitgegeven roman volgt Raskin Isabella (oftewel Ysabeau of Elisabeth) van Habsburg doorheen haar korte, maar bewogen leven. Tegelijkertijd geeft An, de vertelster, haar door een ongeluk mentaal gehandicapte zus een vereenvoudigde maar heel doorleefde versie van Ysabeaus tragische geschiedenis. Door het ongeval werden de twee zussen, net als Isabella, in een keurslijf gedwongen: “de één door het noodlot, de ander door het leven”, zo formuleert Raskin het zelf in een interview met “Knack”.

Raskin is als schrijfster vooral bekend dankzij haar debuut Het koekoeksjong (Kritak, 1988) waarvoor ze in 1989 de AKO Literatuurprijs ontving. In haar recentste boek voor volwassenen Hartenheer (Van Halewyck, 2001) waagde ze zich al eens eerder aan een verhaal over de Deense Christiaan II en zijn vrouw Isabella. Gefascineerd door de vorst reisde ze hem achterna en onderzocht ze de complexe historische context waarin hij regeerde. Het boek brengt een persoonlijk verslag van die zoektocht. Raskin was naar eigen zeggen echter nog niet helemaal klaar met de familie. En dus wijdde ze een tweede boek aan de huwelijks- en machtsperikelen van de Habsburgers, ditmaal voor een jonger doelpubliek. De hoofdpersonages hadden dan ook nog maar net de tienerjaren bereikt toen ze verplicht werden hun regeer- of huwelijksverantwoordelijkheden op te nemen.

Historische fictie

Raskins historische roman speelt zich dit keer niet helemaal af in een ver verleden. Historische passages worden afgewisseld met hedendaagse die gebaseerd zijn op waargebeurde feiten. In het stadhuis van Mechelen vond in 1984 een vreemde diefstal plaats. Aan het begin van De gestolen prinses neemt An, dan al een zestiger, de verantwoordelijkheid op zich voor het vernielen van het schilderij “Poppenspel aan het Hof van Margareta van Oostenrijk”. Als schooljuf van 35 sneed ze vakkundig prinses Isabella uit het schilderij en in de rest van het verhaal doet ze haar motieven voor die diefstal uit de doeken. Door een auto-ongeluk wordt An als kind wees. Haar oudere zus Els komt mentaal en fysiek gehandicapt uit een coma. Aanvankelijk lijkt de situatie uitzichtloos, maar met de steun van tante Leen leert An steeds beter om te gaan met de beperkingen van Els. Gewapend met foto’s van afbeeldingen van de Habsburgers houdt de jonge vrouw haar zus bij de les van hun complexe familiegeschiedenis. Onder het oppervlak van dat historische relaas is de zestigjarige vertelster duidelijk aanwezig. Ten eerste druipt het boek van een soort nostalgie waaraan jonge lezers misschien weinig boodschap zullen hebben. Zo haalt An herinneringen op aan de Historia-albums die zij en Els gebruikten bij het schooltje spelen, en aan het ebbenhouten dominospel, het favoriete spel van “het Bibelebontse dominotrio”. Ook laat de vertelster haar fantasie wel eens een loopje nemen met de historische werkelijkheid. Maar wat zijn juist de “ware feiten”? Bestaat er überhaupt wel zoiets als de geschiedkundige waarheid? Dit is slechts een aantal van de vragen die Raskins metadiscours oproept. “Ik verfraaide mijn verhaal voor haar [Els] en dikte het aan met verzinsels”, beweert An op pagina 50, na de lezer al tientallen bladzijden lang verhalen te hebben gebracht die op geen enkele manier lieten vermoeden dat ze niet op historische documenten gebaseerd waren. En daar laat de vertelster het niet bij. Even later geeft ze toe dat ze ook wat tante Leen betreft, soms haar toevlucht moet zoeken tot verzinsels: “Sindsdien denk ik dikwijls dat ik over tante Leen niet meer weet dan over tante Margareta [van Oostenrijk] en dik ik het verhaal van de een aan met dat van de ander.” Dat An de grenzen tussen werkelijkheid en fictie laat vervagen, blijkt ook uit een intertekstuele verwijzing naar het bekende sprookje De rattenvanger van Hameln: “De stad was trouwens vergeven van smaadschriften tegen Christiaan zoals Hameln eeuwen eerder van de ratten.” Raskin brengt een historisch feit in verband met een gebeurtenis die lezers die het sprookje kennen als fictief zullen beschouwen, alsof grenzen tussen feit en fictie eenvoudigweg niet bestaan. Raskin laat lezers niet alleen nadenken over kijken naar de werkelijkheid. Ze probeert hen ook anders te doen kijken naar kunst. Kunst staat net als de historische werkelijkheid open voor interpretatie. An beschrijft hoe ze kunst anders leerde bekijken: “Mijn aandacht verschoof van wat erop stond […] naar hoe het erop stond […].”. En verderop zaait ze zelfs wat twijfel over het oordeel van kunstkenners. Een schets van koningin Elisabeth is in Ans verbeelding voorafgegaan aan een gedetailleerder, ingekleurd portret. Kenners zijn echter van mening dat het omgekeerde gebeurd is: een Nederlandse schilder maakte het portret en een leerling tekende het na om te oefenen. Wie moet de lezer geloven: de fantasierijke vertelster die een heel geloofwaardig verhaal opdist of de kunstkenners?

Geschiedenis in stijl

De soms ver doorgedreven link tussen de relatie van de Habsburgse zusjes met hun familie en die tussen An, Els en tante Leen zorgt voor mooie, subtiele overgangen tussen de historische en de hedendaagse delen van het boek. En hoewel Raskin in De gestolen prinses de kracht van suggestieve scènes ontdekt lijkt te hebben, steken die passages omwille van hun verbeeldingskracht sterk af tegen de rest van het boek. De vertelster dringt bij momenten nl. te zeer haar eigen waardeoordeel aan de lezers op, alsof die lezers dezelfde mentale achterstand hebben als haar zus. Haar intenties zijn in zulke passages wél goed. Ze tracht lezers te doen nadenken over de werkelijkheid achter de starre portretten, want “weten we veel hoe het leven van die edele dames en heren écht was. […] Op portretten zien hun gezichten eruit als die van mensen van vandaag en hoogstwaarschijnlijk kan dat ook gezegd worden van hun gevoelens.” Raskin neemt de lezer in deze fragmenten te veel bij het handje. Op andere momenten lijkt Raskin merkwaardig genoeg dan weer vooral meer belezen lezers aan te spreken, bv. als ze het heeft over “de storm” die Luther heette: “Hij blies in Duitsland en ver over de grenzen vele heilige huisjes omver en schudde de corrupte roomse wereld door elkaar.” Raskin speelt wel vaker met mooie metaforen, gebruikmakend van beelden en intertekstuele verwijzingen die ze elders in haar boek laat terugkomen. Zo zegt ze over Elisabeth, die bewusteloos werd weggedragen van haar eigen trouwfeest: “Arm koninginnetje […] — de kleine zeemeermin leek nu eerder op een dood visje dat is aangespoeld op het strand”, in deze vergelijking verwijzend naar Hans Christian Andersen, die ook over de geschiedenis van de Deense hoofdstad en het koningspaar geschreven heeft. Raskin wilde schrijven over sterke vrouwen en dus koos ze voor interessante figuren die door hun opmerkelijke positie de nieuwsgierigheid van de jonge lezer kunnen wekken, daarbij af en toe de historische feiten naar eigen goeddunken aan- en invullend. Ze schrijft over vrouwen die zich voor de buitenwereld sterk moeten houden, zoals Johanna van Castilië, Isabella’s moeder, die haar kinderen ‘vrijwillig’ moest achterlaten: “haar lippen trillen, een spannend moment lang, maar dan ontplooit ze haar jeugdige, stralende lach”. Voor Christiaans minnares, de Nederlandse Duveke, en haar moeder die jarenlang optrad als de vertrouwelinge van de koning, was al een rol weggelegd in Hartenheer, maar de twee figuren blijven ook in dit boek tot de verbeelding spreken. Toch kiest Raskin niet voor een eenzijdig vrouwelijk perspectief. Ook Christiaans lot wordt belicht wanneer de vertelster zich plots in zijn schoenen verplaatst. Raskin laat lezers op een unieke manier kennismaken met de complexe familiegeschiedenis van de Habsburgers. Dankzij de vragen die ze opwerpt rond historische (non-)fictie, doet ze haar lezers met andere ogen naar die geschiedenis kijken. En indien het jonge doelpubliek zich niet laten afschrikken door de soms moraliserende ondertoon of de langdradige passages, kan het zich laten onderdompelen in een mooie tijdsschets die de starre portretten van de Habsburgers opnieuw tot leven wekt.

Gonda Lesaffer, recensies Pluizer, op www.linc-vzw.be

"De schrijfster hangt het hele verhaal op aan ‘Poppenspel aan het Hof van Margareta van Oostenrijk’, het schilderij van Willem Geets (nu in het Hof van Busleyden). Ze heeft een groot inlevingsvermogen en vermengt op een ingenieuze wijze het lot van een Mechelse familie met het wel en wee van de Habsburgse weeskinderen. [...] Dit leerrijke historische verhaal is opgenomen in een kijkboek met illustraties, een stamboom en kaartjes. In het deeltje ‘Op museumbezoek’ krijgen we een overzicht van schilderijen met Habsburgse prinsesjes en prinsen. Warm aanbevolen aan alle leraren geschiedenis en hun leergierige leerlingen. Een must voor de inwoners van Mechelen en Lier."

Rita Ghesquiere, Kerknet (www.kerknet.be), maart 2010

Als uitgangspunt voor haar eerste jeugdroman koos Brigitte Raskin een schitterend schilderij van de Mechelse schilder Willem Geets. Op het brede doek zien we hoe de jonge prinsen en prinsessen die aan het Hof in Mechelen leven onder de hoede van Margaretha van Oostenrijk, genieten van een theatergezelschap.

Historica Raskin neemt de lezers mee in een wervelend verhaal dat de waarheid over deze prinsenkinderen aan het licht brengt. Wie waren ze en hoe spannend of triest was hun leven wel.
Het historisch verhaal is ingebed in een eigentijds raamverhaal waarin An, haar zus Els en tante Leen de hoofdrol spelen. An en Els verloren hun ouders in een auto-ongeval en sindsdien zorgt tante Leen voor de twee meisjes. Dat haar zus zwaar gehandicapt werd door het ongeval maakt het leven van An nog moeilijker en ze vindt troost in haar verbeeldingswereld die bevolkt wordt door de Mechelse prinsenkinderen. Stap voor stap probeert ze in een plakboek hun verhaal te reconstrueren. De kleine Isabeau is haar lieveling.

Raskin weeft tussen het historische verhaal en het raamverhaal een web van subtiele gelijkenissen. De lezer ontdekt samen met An het verleden en ontsluiert ook haar geheim: het geheim van de gestolen prinses.

Raskin blijft een historica met een passie voor het verleden. Het zoeken naar de achterkant van de dingen, naar wat zich maar moeizaam prijs geeft, vormt telkens weer de kern van haar romans. De vele schilderijen in dit boek maken de zoektocht voor de (jonge) lezers concreet. Eleonora, Karel en Isabella krijgen een gezicht en een eigen verhaal. Raskin heeft ook oog voor de politieke en maatschappelijke context. Welke rol speelden de Habsburgers in het Europa van de godsdienstoorlogen? Wat betekenden liefde en huwelijk voor de hoge adel? Welke impact hadden geloof en bijgeloof? De nauwkeurige analyse van schilderijen levert ook boeiende informatie op over wat de kleine details bijvoorbeeld dieren, bloemen of objecten ons vertellen. Het kaderverhaal is minder overtuigend. Het begint met een aardige vondst, maar de verdere uitwerking haalt nooit het niveau van het historische luik.

De gestolen prinses is schitterend uitgegeven. Zowel de opvallende cover als de vele prachtige kleurenreproducties zijn uiterst functioneel. Ze dragen de tekst, prikkelen de nieuwsgierigheid van de lezer en maken het boek tot een echt kleinood.

Nu maar hopen dat Brigitte Raskin haar fascinatie voor het verleden en voor het cultureel erfgoed kan overdragen op de lezers. Ook al is het boek op de eerste plaats bedoeld voor adolescenten, volwassenen met belangstelling voor het verleden zullen beslist evenzeer van deze roman genieten.

Uitgaven

  • Brigitte Raskin, De gestolen prinses
    175 blz.
    Davidsfonds/Infodok, 2009

Extra's

  • Een reportage van de televisiezender RTV over het boek

“Want de verteller zet een waar verhaal graag naar zijn hand.”

Brigitte Raskin