Korneel met hobo.jpg

De hobo geeft de toon aan

FORUM, Tweemaandelijks tijdschrift Departement dramatische kunst, muziek & dans van de Hogeschool Antwerpen, maart-april 2002

 

Korneel was al als kleuter geheel oor voor klank. In de slingers van letters die oplichtten in Sesamstraat zag hij eerder melodietjes dan woorden. Bij de smurfenfilms luisterde hij door het getater heen naar de achtergrondmuziek, klassiek. Peter en de Wolf stelde hem voor de spannende keuze van het mooiste geluid. Het werd de eend, de hobo.
‘Voor dat instrument zijn je handjes nog te klein,’ zei de hobomeester van de muziekschool. Hij stuurde Korneel naar de blokfluitles. Een paar jaar later reikten zijn vingers wel breed genoeg. De vriendenkring van de school leende hem zijn eerste hobo en meester Smekens gaf hem zijn eerste les. ‘Probeer er om te beginnen geluid uit te krijgen,’ zei de meester, ‘om het even wat, do la si do re ofzo.’ Waarop Korneel gehoorzaam en feilloos do la si do re speelde. ‘Die jongen heeft het,’ vond de meester. Zijn leerling werd zijn oogappel en zijn trots. Op de slotconcerten van muziekkampen zat de meester vooraan in de zaal waar vader en moeder pas op het laatste nippertje binnenkwamen.   

      
Korneel is het middelste van onze drie kinderen. Ouders dromen ervan dat hun kroost een en al begaafdheid is, maar aan muzikaliteit hadden we, bij gebrek aan eigen talent en belangstelling, niet gedacht. We stuurden Stijn, onze oudste, dan ook niet naar de muziekacademie. Maar nadat zijn schoolvriendinnetje in haar eentje een paar weken les had gelopen, troonde ze hem mee naar de notenleer. Hij bleek muziek nog leuker te vinden dan zijn andere naschoolse activiteit, judo.
Zo terloops is het begonnen, zo toevallig gingen onze kinderen de weg van de muziekstudie op. Korneel volgde zijn broer en nam later zijn zus Lotte mee. Ze kwamen alledrie voor notenleer bij dezelfde bohémien terecht, meester De Henau. Die verstond de kunst om kinderen van zijn vak te leren houden, liet zijn noten op de notenbalken dansen in plaats van hen in het gelid te stellen. Thuis klonk intussen het ene instrument na het andere op - waaraan ik, beschaamd om zoveel onkunde, moet toevoegen dat er een tijd is geweest waarin ik de klarinet van Stijn en de hobo van Korneel niet uit elkaar kon houden. We kochten ook een piano, voor Lotte en de harmoniestudie van Korneel, en we plaatsten het ding centraal in de woonkamer.
Kortom, in tegenstelling met families waarin de muziek van ouders op kinderen wordt doorgegeven, werd ze bij ons door de kinderen binnengebracht.                           

 

Ik luisterde naar wat een moeder wil horen: dat haar kind niet hapert in zijn examenstukjes en dat het publiek niet alleen uit beleefdheid applaudisseert. ‘Of Korneel goed of slecht speelt, kán ik niet horen,’ bekende ik meester Smekens. Die keek me onbegrijpend aan. ‘Je hoort toch wel of iemand een tekst goed of slecht voordraagt,’ zei hij. ‘Probeer hetzelfde te horen als iemand musiceert.’ Dat probeer ik, leer ik sindsdien op de spannende ontdekkingstocht in de wereld van de klassieke muziek. Korneel is mijn gids en het kan niet verwonderen dat zijn instrument mijn favoriet werd, het mooiste geluid.

De hobo geeft de toon aan, stelde ik trots vast toen we vaste concertgangers werden. Telkens als Korneel met het Brussels Youth Orchestra optrad, hoorden we eerst zijn la opklinken en spitste ik daarna mijn oren naar zijn inbreng in het concert. Naarmate hij vrienden maakte in het BYO, breidde mijn belangstelling zich uit tot hún instrumenten en inbreng, alsof  ieder stuk dat ze speelden voor mij ook altijd een beetje dat ene Peter en de Wolf was. De fagot werd de beste vriend van de hobo, en de snaarinstrumenten waren zijn vriendinnen.

Korneel houdt ervan in een ensemble of een orkest op te gaan, en mij benauwt het hem alleen of vooraan op een podium te zien staan. Ik let dan meer op zijn inspanning dan op zijn spel, vraag me af of dat dekselse rietje precies is zoals het hoort te zijn en moet er niet aan denken dat een van de kleppen gaat haperen. Dat heb je met moedergevoel – de bezorgdheid om je dit of je dat haalt het op de heerlijkheid van het moment. ‘Die blonde met zijn fluitje,’ noemde mijn vader het altijd musicerende jongetje onder zijn kleinkinderen, die hij op het eind van zijn leven niet meer uit elkaar kon houden. Daar denk ik altijd aan als ik die magere, al kalende hoboïst met een brilletje op, zo intens musicerend op een podium zie staan. Een solist lijkt me eenzaam en vertolkt behalve zijn mooie muziek ook de inzet waarmee hij tot daar is geraakt. Van de letters in Sesamstraat tot de partituur van een hoboconcerto, wat heeft dat kind van mij zijn uiterste best gedaan.

 

Het huis uit, naar het conservatorium, kwam neer op thuis weg, om zijn eigen leven te gaan leiden. In de jongenskamer van Korneel bleef een muziekstandaard achter voor als hij komt logeren. Aan de muur liet hij, achter glas, zijn diploma van Laureaat Jong Tenuto hangen. 2 mei 1990, geen twaalf jaar oud. Als ik het diploma bekijk, haken mijn ogen zich vast in twee van de namen onderaan. Frederik Devreese, de promotor van jonge musici en van de blonde met zijn fluitje die schoolliep in de academie waarvan hij de directeur was. Joris van den Hauwe, de lange hoboïst met de weelderige haardos bij wie Korneel op zijn achttiende aan het conservatorium terechtkwam.

Net voor zijn eindexamen deed een klepje van de hobo van Korneel het niet meer. Meester Van den Hauwe leende hem zijn instrument. ‘Ik hoorde het verschil tussen het spel op zijn eigen instrument en dat op het mijne,’ zei Van den Hauwe achteraf, ‘maar daarom was het niet minder goed.’ Wat horen die muzikale mensen in ’s hemelsnaam toch allemaal? ‘Luister eens hier,’ zei ik tegen Korneel, ‘ik ken dat concerto van Richard Strauss intussen uit het hoofd van mijn cd ervan. En ik hoorde géén verschil tussen jouw spel en dat van Heinz Holliger. Bravo zoon!’