MariaRosseels_klein.jpg

Literaire moeders

Letterenhuis, Antwerpen, 21 januari 2014 

Vraag me naar mijn literaire heldinnen en ik laat een hele stoet defileren. Op kop danst Ellen, een meisje in een cultboek uit mijn kinderjaren. Sommigen kent iedereen: Emma Bovary, Kristin Lavransdochter. En Scarlett O’Hara, die ik dikwijls “Morgen is een andere dag” nazeg.

Vraag me naar mijn literaire vrouwelijke idolen en ik wijs hen aan in de gemengde groep schrijvers die het lezen tot mijn liefste bezigheid maakt. Centraal staat Maria Dermoût, van wie het Verzameld Werk dat ene boek is dat ik mag meenemen naar een onbewoond eiland. Het gezelschap telt meer Nederlandse schrijfsters, al laat ik dat “Nederlandse” voortaan graag weg voor Joke van Leeuwen. Toen de ingeweken Antwerpse onlangs de AKO Literatuurprijs kreeg, zei ze: “Het valt me op dat de kranten altijd precies vermelden hoeveel genomineerden er uit Vlaanderen en hoeveel uit Nederland komen. Dat wérkt niet bij mij. Ik vertegenwoordig heel dat stuk Nederlandstalig gebied aan deze kant van de oceaan, dus hou daar maar even mee op.”

Dat geeft te denken, nu me niet is gevraagd naar mijn literaire heldinnen of idolen en wel naar mijn literaire moeders, schrijfsters “uit Vlaanderen” die van belang zijn geweest voor mijn eigen schrijverschap. 

Eerst weer oplijsten. Wat heb ik aan werk en biografieën van Vlaamse schrijfsters in huis? Van het eerste te veel om op te noemen, van het tweede een miniverzameling. Rosalie en Virginie, Leven en werk van de gezusters Loveling door Ludo Stynen – de foto van Virginie (1836-1923) is het uithangbord van het project “Literaire moeders”, maar in mijn literaire stamboom zijn de Lovelings overgrootmoeders. Anna Bijns van Antwerpen door Herman Pleij, het boek dat recht doet aan een heerlijk dwarse oermoeder, die overigens evenmin “Vlaams” kan genoemd worden als Joke van Leeuwen “Nederlands”. Verder is er alleen het tweedelige “Schrijfsters over schrijfsters”, samengesteld door Lisette Keustermans en mijzelf. Deel 1, Veel te veel geluk verwacht, portretteert twaalf vrouwen, “literaire (groot)moeders van Vlaanderen”, zoals in de inleiding staat, en die twaalf krijgen elk een tekst van 10 à 15 bladzijden. Dat kan allesbehalve recht doen aan een schrijfster als Rose Gronon (1901-1979), ook meer “van Antwerpen” dan “uit Vlaanderen”. Ze debuteerde in het Frans, schakelde geleidelijk aan over naar het Nederlands voor historische romans over sterke vrouwen en tirannen van mannen, waaronder De ramkoning, een magistrale apologie van Klytaimnestra, koningin van Mykene.

Een schrijfster als Rose Gronon kan ik wel niet als een eigen literaire (groot)moeder zien. Ze verwerkt in haar boeken haar eenzame jeugd en doopt haar pen in vaderhaat. Ze schrijft, in de woorden van docente literatuur Elke Brems, “erg zintuiglijk; voortdurend beschrijft ze hoe alles aanvoelt, ruikt, smaakt”. Kortom, het leven en de schrijfstijl van Gronon staan te ver van mij af om een persoonlijke band met haar te voelen, ook al heb ik al aan haar graf in Wildert, aan de Belgische grens met Nederland, gestaan.

Een literaire moeder hoef je anders niet te imiteren en zij hoeft je niet te inspireren; dat ze je op weg zet, aanmoedigt of volgt kan volstaan. Heb maar een literaire moeder zoals Louis Paul Boon een literaire vader had, niemand minder dan Willem Elsschot. Die was zestig toen hij zijn arm rond de schouder van de dertigjarige debutant Boon legde en zei: “broer, ge hebt daar een goed boek geschreven”. Elsschotbiograaf Vic van de Reijt laat het Boon zelf vertellen en ik herlees het graag.

Toen mijn debuut Het koekoeksjong verscheen, het ware verhaal van een door zijn moeder verstoten jongetje, was ik eenenveertig. Het boek werd in 1989 bekroond met de de AKO-literatuurprijs, wat me de kans gaf voltijds schrijfster te worden. Drie jaar eerder, toen ik geschiedenislerares en freelance journaliste was, hief ik in het themanummer “Hoe bestaat het? Literatuur in Vlaanderen” van Dietsche Warande & Belfort een klaagzang aan over mijn tijdsgebrek om boeken te lezen. Achteraf herbeluisterd kiemde in die bijdrage al de zin om ook boeken te schrijven: “Naar aanleiding van het verschijnen van De vermaledijde vaders heeft Monika van Paemel de problematiek van het bezig zijn met schrijven weer aangeroerd. Daar word ik jaloers van, omdat Van Paemel het dan toch maar zo heeft aangelegd dat ze aan boeken schrijven toekomt.” Monika, die in 1971 op haar zesentwintigste debuteerde, was bovendien al jaren voltijds schrijfster van beroep, een unicum en geen sinecure in Vlaanderen, waar zij dan ook niet zonder reden vooraan stond in de verdediging van de schrijversbelangen.

Toen ik dan op mijn beurt voltijds schrijfster kon worden, had ik in tegenstelling tot Monika geen heel schrijversleven meer voor me. Maar omdat ik maar twee jaar jonger ben dan zij, zag ik haar toch voor mij uit gaan. Ze keek nooit naar me om, integendeel, bewaarde afstand tussen haar en mijn parcours. Op een dag belde ze me op met de vraag of ik lid wilde worden van de Vlaamse PEN-club, waarvan ze voorzitster was; er was nood aan vrouwelijke leden, zei ze, en dat mochten “net zo goed journalisten als schrijfsters” zijn. Die zat, en versterkte mijn gevoel dat ik in het Vlaamse literaire nest zelf een koekoeksjong ben. Laat me Monika van Paemel met alle respect mijn literaire stiefmoeder noemen.

Journaliste en/of schrijfster? Ik werd het achtereenvolgens en was het meestal tegelijkertijd. En toen ik als twintiger als beroepsjournaliste voor het weekblad de nieuwe werkte, maakte ik tijdens een perslunch in een Brussels herenhuis kennis met uitgeefster Angèle Manteau, toen al een oude rot en de grote dame in de Vlaamse boekenwereld. Ze bleek warempel mijn artikels te lezen en zei: “Je schrijft goed. Je zou een boek moeten schrijven.” Dat kwam er toen niet van, maar ik ben haar woorden altijd blijven horen en ben haar, mijn literaire grootmoeder zeg maar, ook altijd blijven kennen en nu en dan bezoeken.

Journaliste en schrijfster, Maria Rosseels (foto) was het decennia lang tegelijkertijd. Ik groeide op met haar werk, las net zo goed haar boeken als haar wekelijkse filmrecensies in De Standaard. Ze wierp een kritische blik op kerk en geloof, ze had een feministische kijk op mannenmacht en seksualiteit – Het woord te voeren past den man, de ironische titel van een van haar essaybundels, sprak boekdelen. Dat Rosseels katholiek bleef en haar feministische ideeën snel achterhaald waren, deed en doet geen afbreuk aan mijn bewondering voor haar. Zij was geboren in het oorlogsjaar 1916 en behoorde tot de generatie katholieken voor wie het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren ’60 bevrijdend was en tot een generatie vrouwen voor wie emancipatie nog meer een kwestie van hogere studies dan van anticonceptie was. Ook haar werk was tijdsgebonden, maar, met de verfilming erbij, is Dood van een non ook een tijdsdocument, terwijl Wacht niet op de morgen, over het samenleven van joden, moslims en christenen in het koninkrijk Jeruzalem ten tijde van de kruistochten, actueler is dan die setting doet vermoeden.

Mijn naoorlogse generatie van geloofsafvalligen en Dolle Mina’s is een heel andere dan de generatie van Maria Rosseels, maar onder anderen ikzelf werd opgevoed door ouders van die, háár, generatie. Zij had – geschoold, ongehuwd, kinderloos, gelovig – een van mijn echte tantes kunnen zijn en is – daar ben ik al lezend en denkend in aanloop tot dit stuk achtergekomen – mijn literaire moeder geworden. Ik heb haar niet persoonlijk gekend, en als ik haar ooit ben tegengekomen, dan ben ik dat vergeten. Maar in 1996, in aanloop van de verschijning van Veel te veel geluk verwacht, met ook haar portret erin als een van de twaalf, belde ik haar op met de vraag of ze naar de boekpresentatie wilde komen. Dat wilde ze niet, daarvoor was ze te slecht te been en onderbrak ze haar teruggetrokken leven in Kalmthout liever niet. Ze vond het wel fijn om mij aan de telefoon te hebben, zei ze, volgde mijn werk en loofde het. “Jullie, schrijfsters van nu, zijn goed bezig,” zei ze ook, “jij, Kristien Hemmerechts en de anderen.” Toen ik de telefoon neerlegde, voelde ik me tegelijk blij en schuldig, dat laatste ondanks het feit dat er nu dan toch een begin van een biografie ging verschijnen.

Maria Rosseels stierf in 2005, en om binnen een paar zinnen niet melodramatisch te eindigen, preciseer ik het alvast nu: ze stierf op 18 maart, sinds ik een kind van elf was de voor mij fatale datum waarop ook mijn echte moeder doodging. Ik ging naar de uitvaartmis in de kerk van Kalmthout, een warm afscheid, omdat Rosseels blijkbaar een bijzonder fijne tante was geweest in haar familie. Maar uit de literaire wereld was ik wel de enige aanwezige van een jongere generatie dan de hare en dat gaf me opnieuw een schuldgevoel, of beter gezegd een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Dat die nu wat wordt weggewerkt door Antwerpen Boekenstad, het Letterenhuis, het project Literaire Moeders, maakt me alleen maar blij.