AAN HET KASSEIWEGJE

Het was volop kniptijd in de druivenstreek, de weken van het geduldige, fijne handwerk dat de trossen hun verleidelijke vorm geeft. Maar die fatale woensdag keek druiventeelster Leonie niet meer om naar haar serres en joeg ze zich een kogel door het hoofd. “Slaat mij dood,” had ze al maandenlang gevraagd aan god-weet-wie. Tot ze de revolver die in haar slaapkamer voor het grijpen lag, in de hand nam, in haar mond stak en schoot.

De gesmoorde klap klonk op in het derde en laatste huisje langs een oplopend kasseiwegje aan de Hoeilaartsesteenweg, tussen het erf van de familie Trentels aan de ene en dat van de familie Alsteens aan de andere kant, vlakbij de lindeboom van Bakenbos, een uithoek van Maleizen, een gehucht in het serredorp Overijse – ik zoom uit om het revolverschot te laten wegsterven zoals de wanhoopsdaad van Leonie wegdeemsterde in de tijd.
Het was juni 1938 en tientallen jaren later bleef alleen vaagweg en opzienbarend onthouden dat er aan het kasseiwegje ooit een vrouw woonde die zelfmoord pleegde met een revolver en dat nog wel op de dag dat België door een aardbeving werd geteisterd.

Het filmpje van Leonie
Bakenbos was toen, voor de oorlog, een landelijke plek, met twee winkels, drie cafés en geen honderd bewoners. Die spraken Brabants dialect en simpel Frans door elkaar en gingen elk stug hun eigen gang, ieder voor zich in zijn eigen druivenserres, de gouden broodwinning van die tijd in de glooiende streek aan de zuidoostelijke rand van Brussel.                             Leonie had drie druivenserres, twee gewone van zeker vierhonderd kilo en één wonderlijke van wel negenhonderd. “Goed gebankt” werd van die mirakelkas gezegd, wat betekende: diep uitgegraven, met gezonde grond gevuld en rijk bemest. Dat had Fred nog gedaan, de man van Leonie. Fred schonk zijn vrouw geen kinderen, maar liet haar de drie serres en het huisje na nadat hij in de waterput van zijn oudste serre was verdronken. Nee, geen zelfmoord had gepleegd, anders de gebruikelijke manier in de streek, “hij is in de put gesprongen”. Maar dan schoof de ongelukkige de plank opzij die als een brug over de put lag, terwijl Fred met plank en al in de put was gevállen.

Een dramatisch leven als dat van Leonie wordt meestal beschreven in verzonnen versies en theatertaal. Als waar gebeurd verhaal blijft het kort en duister en is het bij gebrek aan nagelaten papieren niet uitvoerig te vertellen. Zie het als zo'n schokkerige stomme film waarvan de zwart-witbeelden voor zichzelf spreken en de episodes op een bordje worden aangekondigd in schrijfletters.                                                               Op Bakenbos. Fred en Leonie. Beiden zijn bezig, zij in hun huisje, hij in de serres. Zij roert in de kookpotten op de kachel in de woonkamer, staat aan de wasteil in het keukentje achteraan, maakt het bed op in de slaapkamer, haalt een propere schort in het achterliggende plaatsje waar een grote koffer staat. Hij is aan het opbinden, knippen en begieten in de serres en loopt in en uit de schuur tegenaan hun huisje. Zij komt helpen bij het knippen, hij steekt een handje toe in de moestuin en bij de kersenpluk.                                                   1919. Een drama. “Waar blijft hij?” schijnt Leonie zich af te vragen wanneer ze ongerust op de drempel van hun huisje staat en in de richting van de serres kijkt. Ze gaat hem zoeken, vindt hem niet in de schuur of in de serres. Tot ze voor een open serreput staat en de pet van Fred op het water ziet drijven. Familie, de dokter, de veldwachter, de pastoor lopen aan en velen omringen Leonie op de begrafenis van haar man. Daarna blijft ze alleen achter, een jonge weduwe in het zwart.
Enkele jaren later. Maria. Leonie heeft een dochtertje dat aan haar rokken hangt terwijl ze in de kookpotten roert, druiventrossen knipt en kersen inmaakt. Geen vader te zien, moeder en kind bewonen het huisje met zijn tweeën. In de slaapkamer staan een groot en een klein bed en wordt een poppenbedje bijgezet, een fruitkistje dat Leonie kleurig beschildert en waarvoor ze beddengoed naait. Maria'ke is een blonde spring-in-'t-veld en is dol op hun geit, waarvan ze iedere dag de melk te drinken krijgt.
Nieuwe buren. In het huisje naast dat van Leonie trekt een gezinnetje in, man, vrouw en hun dochtertje, dat jonger is dan Maria. Hij fietst 's ochtends naar zijn werk, de vrouwen gaan hun gang op het erf, de meisjes spelen met elkaar. Ze kruipen in de kersenboom en maken ritjes op hun fietsen. Ze gaan samen naar school, tot in de puntjes gekleed, en ze zijn eender uitgedost in een blinkend pak en met een witte kozakkenmuts op wanneer ze op het schoolfeest mee mogen doen aan de Russische dansen.
1938. Het revolverschot. Het buurmeisje en haar ouders wonen niet meer aan het kasseiwegje en het erf lijkt minder fleurig en levendig dan voordien. De nieuwe buurvrouw ziet eerst Maria wegfietsen naar school en even later Leonie naar haar serres lopen met een revolver in de hand. Maar ze keert terug, gaat haar huisje weer binnen. De buurvrouw blijft wat besluiteloos buiten staan, tot ze opschrikt van wat ze plotseling hoort en alarm gaat slaan in het café aan de overkant.

De puzzel van Maria
"Ik was zeventien,” zegt Maria, de dochter van Leonie, die de familienaam van haar moeder draagt en intussen achtentachtig is geworden. Ze volgde destijds lessen snit en naad in Terhulpen en daar, in de school, kwam een buurman haar zeggen dat er iets ergs was gebeurd en ze onmiddellijk moest meekomen. Zo verbijsterd als Maria even later thuis tussen haar familie moet hebben gestaan, zo ontdaan kijkt ze nog altijd tegen de verschrikkelijke gebeurtenis aan. “Nu ben je vlug groot, toen bleef je veel langer een kind,” voegt ze daaraan toe. Het meisje van zeventien mocht na de dood van haar moeder intrekken bij haar tante, twee hoeken om, al nipt in Hoeilaart, het buurdorp dat met Overijse een duo Kwik en Flupke vormt – de ene naam valt nooit zonder de andere. Tijdens de oorlog ging Maria dienen bij een familie in Waver, nadien trouwde ze. Haar man is intussen meer dan twintig jaar geleden overleden en haar twee dochters zijn het huis uit waarin zij nu alleen woont, een eind verderop in Hoeilaart, maar wel nog altijd op fietsafstand van het kasseiwegje van haar kinderjaren.
Maria keert gewillig terug naar die tijd en haalt een kleine, dierbare verzameling foto's tevoorschijn om het over vroeger te hebben. Ze vertelt geen samenhangend verhaal, ze legt puzzelstukken op tafel, het ene moeilijker in te passen dan het andere. Helemaal af is de puzzel al nooit geraakt, omdat er van meet af aan stukken ontbraken en Maria alleen kan doorspelen wat ze zelf heeft meegemaakt of opgevangen.

Dat haar moeder voordat zij, Maria, werd geboren, al een eerste kind had gehad, dat meteen was doodgegaan. Dat haar moeder zoiets voor zich hield, stuurs en zwijgzaam was, en zorgzaam en goed. Ze versierde het poppenbedje, ze speelde zelfs mondharmonica. Dat zij, Maria, dolgraag een zusje wilde hebben en elf was toen de nieuwe buurman, Prosper, naast hen kwam wonen met zijn Franstalige vrouw Angèle en hun dochtertje Jeanine. Maria en haar zeven jaar jongere buurmeisje werden onafscheidelijke vriendinnetjes.  Dat Angèle vriendelijk was en beide meisjes meenam op familiebezoek in Wallonië - “ce sont vraiment deux soeurs”, vonden de mensen daar. Dat haar moeder zo'n uitstapje goedvond. Maar Leonie verbood haar dochter wel om bij de buren binnen te gaan. Dat ze veertien was toen Angèle haar vroeg of ze dan zelf niet zag dat zij en Jeanine op elkaar geleken en echt waar zusjes waren. Dat ze zo vernam dat Prosper ook háár vader was. Het geheim was onthuld en kwam nooit meer ter sprake, zelfs niet tussen de zusjes onderling.

Kijk, Jeanine in de kerselaar, Jeanine met een poppenwagen aan de serre, Jeanine en Maria met hun kozakkenpak aan in het gras en met hun fietsen aan de hand in het kasseistraatje. Die laatste foto is de mooiste, grote en kleine zus stads gekleed, hun witte muts swingend schuin op het hoofd. Later werd de jongste balletdanseres, en ook daarvan heeft Maria foto's, Jeanine in tutu, Jeanine in het corps de ballet tijdens een optreden in Antwerpen.
Door graag over haar halfzusje te vertellen overstemt Maria het weinige dat ze over haar ouders ophaalt, temeer omdat Prosper op geen enkele van haar foto's staat. “Mijn moeder heeft me nooit een woord over hem gezegd, en Angèle zegde me dat hij mijn vader was omdat hij me begon aan te raken waar dat niet paste.” Maria vertelt het zonder omhaal van woorden, ook dat ze Prosper nooit meer heeft willen zien.

Leonie draagt op haar portretfoto een hooggesloten zwarte jurk. Ze heeft net als haar dochter opvallend neerhangende oogleden en daardoor een wat treurige blik. Haar mond is breed en welgevormd, haar gezicht volmaakt ovaal. Ze staat raadselachtig op de ene foto, gewoon op de andere. Leonie zit op een stoel aan de voordeur, Maria staat feestelijk gekleed en gekapt naast haar, de arm om haar moeders schouders.
 
“Ze was verloren nadat Prosper, Angèle en Jeanine terug naar Brussel verhuisden.” Zo verklaart Maria het “slaat mij dood” dat haar moeder vanaf toen soms uitriep – alleen, ziek, ongelukkig, wie zal het zeggen. “Ze haalde de revolver in huis nadat ze bijna was bestolen, door dieven die het voorzeker op haar vat lijnolie hadden gemunt dat in het achterkamertje stond. Ze was op bezoek bij Trentels en rook op het nippertje onraad.” Maria ziet het wapen nog liggen, op de schouw in de slaapkamer, schietklaar.

Leonie was achtenvijftig toen ze zich die fatale woensdag, 8 juni 1938, doodschoot. Ze werd begraven op 11 juni 1938, de rampzalige zaterdag van de zwaarste aardbeving die België in de twintigste eeuw trof, 5,6 op de schaal van Richter. “We waren terug thuis van het kerkhof,” zegt Maria, “en alles begon te daveren. Ik schrok zo dat ik uit het venster sprong om het huis uit te zijn en zag bij Trentels de schouw haar beneden donderen.”

Maria kwam nog diezelfde dag in Hoeilaart terecht en vervolgde haar leven van wel en wee en duurzaamheid. Ze is klein, fijn en kwetsbaar, maar stapt stevig richting negentig. Of haar halfzusje nog leeft, weet ze niet. Jeanine en zij bleven elkaar jarenlang zien en schrijven, tot dat contact plotseling stokte en er geen brief meer van Jeanine kwam, ook iets pijnlijks dat Maria zonder omhaal van woorden vertelt – de klap die ze op haar zeventiende kreeg, heeft haar blijkbaar flink tegen het leven gehard.
Alhoewel, een andere tragische gebeurtenis raakt haar tot vandaag. Op de zondag voordat haar moeder er een eind aan maakte, was Maria uitgegaan in Overijse en had ze er gedanst met een knappe jongeman die bij het afscheid om haar adres had gevraagd. En laat die jongeman nu net drie dagen later langskomen, ongeduldig om Maria terug te zien. Hij kwam aan het kasseiwegje terecht in de drukte die er volgde op de wanhoopsdaad van Leonie, fietste geschrokken terug naar Overijse en verdween zo uit het leven van Maria. Tot die jaren later een vroegere vriendin tegenkwam, die haar vertelde dat zij op haar beurt de knappe jongeman had leren kennen, maar hem in 1940 had moeten uitwuiven naar de oorlog, waarvan hij niet was teruggekeerd. De vroegere vriendin liet de staatsiefoto van de vertrekkende soldaat bijmaken en ook die foto behoort tot de kleine, dierbare collectie van Maria. Kijk, zegt ze, wijzend naar de muur in haar zitkamer waar de kalender hangt en daarboven haar gemankeerde eerste lief, verbleekt, vergeeld, maar niet vergeten.

De zoektocht van Brigitte
Ik tekende de herinneringen van Maria op uit, eerlijk gezegd, nieuwsgierigheid naar haar verhaal. Het werd tijd dat ik eindelijk het fijne achterhaalde van het weetje dat in het derde huisje aan het kasseiwegje op Bakenbos ooit een vrouw woonde die zelfmoord pleegde met een revolver. Nee dus, níét op de dag dat België door een aardbeving werd geteisterd, wel drie dagen eerder – al kwam het daar achteraf niet op aan en bleven het revolverschot en de aardbeving terecht samen onthouden, een persoonlijk drama en een nationale ramp, het noodlot dat onverbiddelijk toeslaat.

Zoals het erf aan het kasseiwegje er voor de oorlog uitzag, heb ik het jaren later nog gezien, het oplopend straatje net als op de foto van de zusjes met hun fietsen, de drie huisjes met elk hun stoep. Tegenover het eerste huisje stond een schuur en daarachter torende het huis van de familie Trentels uit dat zijn oude schouw verloor bij de aardbeving van 1938. De schuur tegenaan het derde huisje hing er bouwvallig bij, met ernaast nog een betonvloer in de openlucht, waarop de steenkolen hadden gelegen waarmee de serres werden gestookt.
Wat na de zelfmoord van Leonie met het erf gebeurde, kan ik precies reconstrueren, notarispapieren bij de hand. Van huizen, straten, wijken kan net zogoed de geschiedenis worden verteld als van mensen, gezinnen, families. En plaatsverhalen duren veel, veel langer dan levensverhalen – plaatsen hebben met de zwerfkatten die er ronddolen, gemeen dat ze zeven levens hebben.

Maria verliet die zomer 1938 haar moeders huisje. Dat werd al in de herfst eigendom van buurman Alsteens, die enkele jaren later ook de eerste twee huisjes aan het kasseiwegje kocht. Hij was ook serrist, en een man die van aanpakken wist. Het was hem bij de uitbreiding van zijn grond niet zozeer om de huisjes te doen dan om de bijbehorende serres, want na de oorlog was de druiventeelt nog net zogoed een gouden broodwinning als ervoor. En buurman Alsteens zag het groot, kocht ook de serres van buurman Trentels die, anders dan Fred van Leonie, wél echt “in de put was gesprongen” - het ieder voor zich in zijn eigen serres was hard labeur en er gingen evenveel mensen aan ten onder als er welvarend van werden.
Op den duur bezat en bewerkte Alsteens vierentwintig serres, waarvan nummer zeven, ooit eigendom van Fred en Leonie, nog altijd een mirakelkas was. Zijn vrouw knipte mee, en dochter Trentels, hij nam een gast in dienst en had het geluk dat een van zijn twee zonen wilde thuisblijven van school om op zijn beurt serrist te worden en later het bloeiende bedrijf over te nemen.

De jaren verstreken en de serristen bleven stug ieder voor zich hun eigen gang gaan, overal in de druivenstreek, en dus ook in Overijse, in Maleizen, op Bakenbos – ik zoom in om de plek nog eens precies te omcirkelen. Bakenbos is niet meer dan een driesprong waarop drie steenwegen uitmonden en drie gemeenten elkaar raken, Overijse, Hoeilaart en Terhulpen, dat intussen La Hulpe heet en Waals is, wat maakt dat Bakenbos pal op de taalgrens ligt.
Veertig jaar geleden had ik nog nooit van die bizarre, oer-Belgische plek Bakenbos gehoord, laat staan dat ik er was geweest, aan de lindeboom, die een onafhankelijksheidsboom is, in 1830 feestelijk op de driesprong geplant. Mijn leven speelde zich niet af in de rand en al helemaal niet op het platteland, maar in de stad. Ik woonde in Leuven, werkte in Brussel en pendelde heen en weer met de trein.

Maar op een zekere dag – een winteravond in 1972 – gebeurde iets raars maar waars. Het was heel laat geworden op het werk, en ik stapte moe en verstrooid op een verkeerde trein. Dat merkte ik eerst helemaal niet, maar drong toch geleidelijk aan tot me door – het wiegelied van een verkeerde trein heeft een andere klank en een ander ritme. Ik keek naar buiten, waar het donker was, maar de contouren van wat ik er toch zag, ook ongewoon waren. Toen stopte de trein, niet in een stationnetje en wel aan een landelijk perronnetje, en daarop lichtte het plaatsnaambord op: BAKENBOS. Ik zit fout, wist ik toen wel heel zeker. Hoe mooi ik de plaatsnaam ook vond, “Bakenbos” lag niet op mijn traject.

Ofschoon alles kan verkeren. Een goed jaar later gaf mijn werkgever, de hoofdredacteur van een weekblad, een feestje en daarop maakte ik kennis met de broer van de vaste tekenaar van ons blad. Die broer was onze gelegenheidsfotograaf, maar eigenlijk druiventeler, en geen jaar later trouwde ik met hem, Edgard Alsteens uit Overijse. Hij bewerkte samen met zijn vader vierentwintig serres in een uithoek van die gemeente, Maleizen. En omdat serristen dag in, dag uit in weer en wind bij hun serres waken, kwam ik op het erf zelf van de familie Alsteens terecht, op de gelijkvloerse verdieping van een van hun huizen. En zo werd Bakenbos alsnog zelfs de eindbestemming van mijn traject.

Mijn man en ik woonden de eerste jaren klein en begonnen, tegelijk met de uitbreiding van het gezin, aan het opkalefateren van de huisjes aan het kasseiwegje op het erf van mijn schoonvader. Die stonden intussen al jarenlang leeg, de deuren vermolmd, de tegelvloeren vergrijsd. Het eerste huisje en de schuur ertegenover moesten we afbreken, van de andere twee huisjes maakten we er één. De schuur tegenaan het tweede huisje werd ook huis, de betonvloer ernaast garage. De huisjes zijn onherkenbaar en toch, de vorm zit er nog in, en vele details. De weer schoongemaakte tegelvloer van wat de woonkamer van Leonie was, de balken, een trap, de kasseien die herlegd zijn tot een wegje dat van de voordeur door de voortuin leidt.
En nu zit dan eindelijk in het huis ook het fijne van het opzienbarende verhaal van zijn eerdere bewoners. “Goede herinneringen, en erge,” verzucht Maria terwijl ze om zich heen kijkt en in de eethoek wijst waar haar meisjesbed stond en waar het grotere bed van haar ongelukkige moeder.

zomer 2009, project “Maleizen schrijft!”