Het spoor van de wilde wingerd

Afscheid van steen, Van Halewyck/Balans, 1996

Aan de ene kant klonk het ongeduldige gefluit, het stuwende geluid van de locomotieven op, aan de andere kant het onverstoorbare, zelfverzekerde gelui van de kerkklokken. Daar tussendoor speelden zich mijn kinderjaren af, in de stationsstraat van een provinciestadje. De bewoners waren er geworteld, met elkaar vergroeid als de gewassen in een wilde tuin. Ze hadden samen de oorlog doorstaan en het puin geruimd. Toen ik erbij kwam, restten er uit de kwade tijd een paar littekens, hier en daar een gat tussen de huizen dat door onkruid gedicht werd. De straat krioelde van nieuw leven, meisjes die hinkelden op het trottoir, jongens die belleke-trek speelden.
's Ochtends en 's avonds flitsten de treinreizigers heen en weer voor onze deuren. 's Middags was de straat van haar bewoners, onder wie een kapper en een kruidenier. 's Nachts werd de straat ingenomen door dronkaards die van de cafés aan het stationsplein naar elders waggelden. Ze lalden naar de ramen en kotsten tegen de muren. De bewoner die prijs had, spoelde met een emmer water de viezigheid in de goot en op een keer verwijderde de brandweer op dezelfde manier de laatste bloedige resten van een verongelukte, verpletterde vrouw van het trottoir. Op de plek waar de vrouw had gestaan toen een zware vrachtwagen haar niet kon ontwijken, bleef een hardnekkige, donkere vlek zichtbaar waar wij behoedzaam omheen liepen.
Op de hoek aan de stationskant hield Rosien een café open. Aan de kerkkant verkocht Mathilleke snoep. Van Rosien tot Mathilleke was de straat rechtlijnig zoals een regel in mijn schrijfboek voor schoonschrift, de dubbele streep waatussen ik het abc leerde spellen.
Jef van Rosien stalde 's ochtends de fietsen van de treinreizigers in een opslagplaats en hield de rest van de dag aan de ingang de wacht, onze straatportier aan de stationskant. Wanneer Berre van Mathilleke niet op een markt stond met zijn zakdoekenkraam, zat hij op een stoel voor zijn deur, onze straatportier aan de kerkkant. Omdat Berre zijn scheel oog achter een mat brillenglas verstopte, leek hij een piraat in ruste. Wie tot het straatbeeld behoorde, werd bij de voornaam genoemd. Wie hoog op de sociale ladder stond, werd met zijn familienaam of titel aangesproken, fabrieksbaas "mijnheer De Beule", notaris "mijnheer d'Hooghe", onze papa "mijnheer de juge".
Papa was honkvast als geen ander. Hij ook werd groot in de Stationsstraat en toen hij zich voor vrouw en kroost een eigen huis wenste, kocht hij het pand tegenover het huis van zijn ouders. Die waren al dood toen ik nog een kind was en in hun huis woonde onze oudste tante, tata. Wij waren thuis én aan de onpare straatkant die de hare was én aan de pare die de onze was. Soms pakte ik een koffer met speelgoed en onderbroekjes en ging ik met vakantie naar de overkant. Net als voor papa was voor mij onze straat niet te eng voor wat ik in het leven wilde ondernemen, althans toen, in mijn kinderwereld.
De meet van de jaarlijkse kermiskoers werd traditioneel in de Stationsstraat getrokken, net voorbij ons huis. Wij konden dan aan de pare en onpare kant de beste balkonplaatsen aanbieden. In de kermistijd brak ook het mooie moment van de straatverlichting aan, wanneer op vensterbanken en in plantsoenen kaarsjes werden ontstoken, duizenden vlammetjes die dansten voor stadsheilige Sint-Rochus. Iedereen was op de been, groette wie hij ontmoette. Het was vertrouwd lopen door de Stationsstraat en het was er geboren opgroeien.
Aan de zijkant van ons huis was een wilde wingerd tot boven in de dakgoot geklommen. In de herfst dwarrelden zijn rode bladeren door de hele straat. Op de terugweg van school volgde ik het spoor van de bladeren zoals Klein Duimpje dat van zijn keitjes. De grote, boze hond van de notaris zat achter een tuinpoort gevangen. Daarachter liep hij als een gekooid dier heen en weer en sprong hij keer op keer tegen de rand van de tuinmuur op, die daardoor een bleke merklijn ging vertonen, een zoveelste litteken in de straat. Voor het huis van mijnheer De Beule was het trottoir niet gekasseid, maar gevloerd met grote gladde tegels. Ik liep daar overheen met reuzenstappen en mocht van mezelf niet op de voegen trappen.
Die truc om onheil te bezweren werkte niet, want het dochtertje van mijnheer De Beule ging dood toen zij en ik zes waren. Ik vond zo'n engeltje in de hemel maar niks in vergelijking met een speelkameraadje hier beneden. Wanneer mevrouw De Beule mij voortaan tegenkwam, kreeg ze tranen in de ogen. De volwassenen rondom ons gedroegen zich voorspelbaar en wij kenden beter hun gewoonten dan zij onze streken. Toch moest mijn broer op een dag aanzien dat een weinig opvallende buurman uit een hoog raam sprong en pardoes neerstortte in een zijstraatje.
De familie Dingelstadt kocht als eerste een televisietoestel. Daar kwamen op woensdagmiddag alle kinderen van de buurt op af. "Teevee-ohee" joelden we mee met de groten en kleinen op het scherm en we bestelden met zijn allen het clubspeldje van het jeugdprogramma. Maar wat moet ik daarmee nu mijn  kinderwereld is vergaan en er mij van de Stationsstraat enkel herinneringen resten?