Het politieke cv van een 68'er

Van weg-met-Collard tot weg-met-Vandenbroucke

Ik ben geen essayist, wel een verteller. Vandaar dat ik op de vraag om een bijdrage te leveren tot een reeks artikels over de toekomst van het socialisme in Vlaanderen antwoord met een verhaal. Daarin zoek ik uit hoe ik een socialistische kiezer werd en waarom ik vooralsnog niet van plan ben dat te blijven. Of dat verhaal representatief is voor dat van mijn naoorlogse generatie of mijn sociologische soort, kan ik (°1947) niet becijferen, maar geef ik, zelf nieuwsgierig naar hun bevindingen, ter overweging aan de politicologen en sociologen die kiesgedrag analyseren en politieke ontmoediging kunnen diagnosticeren.

De katholieke wereld als biotoop
Naast Sancta Maria, mijn lagere school op de Sint-Niklaasberg in Aarschot, lag een groot braakliggend terrein, een oorlogswonde die in de jaren vijftig nog niet was geheeld. Op een dag stond er op de muur achteraan in grote zwarte letters "WEG MET COLLARD" geklad, dé katholieke roep van 1955. Ik was zeven jaar oud, las gretig alles wat onderweg te lezen viel en die zwarte letters aan mijn school staan zó diep in mijn geheugen gebrand dat ze de eerste politieke boodschap moeten geweest zijn die ik opving.

Daar sluit een andere herinnering bij aan, uit hetzelfde jaar van hetze tegen Leo Collard (minister van onderwijs, Belgische Socialistische Partij - waar is de tijd?). Wij gingen op familiebezoek in Turnhout en terwijl mijn vader de oprijlaan van de villa van zijn broer indraaide, begon hij weg-met-Col-lard te claxonneren, kort-kort-ultrakort-lang. Ik zat ingeklemd tussen mijn ouders, mijn moeder hield mijn kleine broer op de schoot, mijn vier oudere broers en zussen zaten op de achterbank, het hele gezin gezellig opeengepakt in de grote groene Chevrolet, en onze toeterende aankomst was zo feestelijk dat weg-met-Col-lard me bijbleef als een deuntje van samenhorigheid.
 
Mijn vader-vrederechter ventileerde zijn politieke meningen anders nooit in het openbaar, omdat een magistraat een toonbeeld van neutraliteit moet zijn. Aan onze huisdeur moesten de boer met een kip onder de arm of de vrouw met een mandje perziken in de hand die “meneer de juge” kwamen bedanken voor een vonnis, onverrichter zake rechtsomkeert maken. Aan onze eettafel schoven nooit politici of andere openbare figuren aan en wij kwamen niet over de vloer bij politici. In onze tuin stond aan de straatkant een vlaggenmast en daaraan hees mijn vader op nationale feestdagen de Belgische vlag, de enige vlag waarvoor de mast was bestemd. Want toen mijn jongere broer een militant lid van de Volksunie werd en op 11 juli de leeuwenvlag wilde hijsen, kreeg hij de wind van voren. Mijn vader legde zijn verbod niet uit, maar de grond ervan was duidelijk: Belgische nationaliteit is een feit, Vlaamsgezindheid een kwestie van keuze en leuze. AVV-VVK, maar mijn vader las iedere dag behalve De Standaard ook La Libre Belgique. Hij was een burgerlijke, katholieke, brave man van de oude stempel (1910-1989), een militarist (behalve vrederechter ook reserveofficier), een echte Belg en zelfs een patriot, anders ook een kwestie van keuze en leuze.
In zo’n nest opgroeien bepaalt je leven minder dan de familiale genen je fysiek bepalen, maar toch. Tot ik een twintiger werd, was de katholieke wereld mijn biotoop. Ik voelde me er thuis, in ons gezin en onze familie, in mijn nonnenscholen die alleen voor meisjes waren, in de ook niet gemengde jeugdbeweging. Ik onderging er de invloeden die ik heb gewikt en gewogen terwijl ik mijn familie-epos De Eeuw van de Ekster schreef. Vooraan in het boek lanceer ik mezelf als volgt: “Brigitte Suzanne Albertine Joseph zou ik heten, een christelijke, francofone, burgerlijke naam, tevens een programma.” En wanneer ik even later sta te mijmeren bij een Limburgse veldkapel die door een voorouder werd neergezet, bedenk ik: “Zoveel sleep ik mee uit mijn jeugd, niet omdat ik er iets mee kan doen, wel omdat ik het heb gekregen.” Het klinkt wat laatdunkend, en ook afstandelijker dan ik het vandaag zou formuleren, nu ik de mij meegegeven waarden heb kunnen actualiseren. Wat voor mijn vader evident burgerlijk fatsoen was, is nu voor mij burgerplicht. Wat op kostschool sparen-voor-Haïti was, voel ik nu aan als mondiale bekommernis. Wat bij de scouts kiemde, is nu een volgroeid ecologisch bewustzijn.
 
Achtenzestig als totaalpakket
De naoorlogse heropbouw bracht mee dat, toen mijn generatie in de jaren zestig aan de universiteit terechtkwam, wij twintigers ons onbekommerd konden ontpoppen tot de fameuze achtenzestigers. We beleefden een spannende tijd die ik later overzag in mijn boek Het koekoeksjong. Daarin vormt het leven van de marginale jongeman Frans Maes de rode draad en ben ik een spoorzoeker naar zijn verleden. In de late jaren zestig was hij kelner in brasserie Majestic aan de Leuvense Bondgenotenlaan, de achtergrond in het volgend fragment.
“Ik zat daar tussen op het asfalt voor de Galeries Anspach, moest nadien in mijn kletsnatte kleren wel in de andere richting lopen, naar het station, want ik was spoorstudent. Het kan in mei ’68 geweest zijn maar ook vroeger, toen we niet alleen We shall overcome zongen naar Amerikaans voorbeeld, maar ook Leuven Vlaams riepen, twee academiejaren lang, sinds die zondag in mei 1966 dat de Belgische bisschoppen lieten weten dat er van een Vlaams-Franstalige splitsing van de katholieke universiteit geen sprake kon zijn. Maar ook het Leuven Vlaams hoorde Frans Maes in de Majestic, hij werd daar al gesignaleerd begin 1967. De studenten trokken toen met honderden voorbij, de presessen van de faculteitskringen en regionale studentengroeperingen voorop, hun lint schuin over de borst, hun studentenpet op, de meisjesstudenten of ‘porren’ ertussen met hoog opbollend haar en minirok, betogen en flirten kon tegelijkertijd. De hele heisa lag in het verlengde van hun jaren in de katholieke jeugdbewegingen, roepen, zingen en stappen zat hun in het bloed. Zich afzetten tegen bisschoppen was nieuw, maar dat kon nu volop, met de zegen van de Vlaamse vleugel van de Christelijke Volkspartij die de studentenmassa gebruikte als zijn stoottroepen, het voetvolk dat het enthousiasme opbracht dat er bij de politici niet meer inzat, die rukten naar betere posities op, naar de coming out van het Vlaams establishment in het openbare leven. Daar in de Bondgenotenlaan struikelde de Belgische regering Vanden Boeynants, ‘gij moest uw bakkes breken’ zou Frans Maes zeggen. En de Vlaamse professoren kozen de zijde van hun studenten, ‘De Somer rector’ scandeerden de betogers, ‘wie is De Somer?’ vroegen de klanten in de Majestic en er werd gezegd dat het een prof van geneeskunde was, ‘geen monseigneur’, en dat het dát was wat de studenten wilden. De Somer werd rector, ook de Vlaamse intellectuelen rukten op naar betere posities. De Franstalige universiteit werd uitgewuifd, eerst voor de grap naar Hout-si-Plout in Wallonië, nadien in alle ernst naar Louvain-la-Neuve, dichter bij de taalgrens. De linten en studentenpetten werden weer alleen bovengehaald voor de braspartijen en de clubavonden en het openen van de T-dansants met de mooiste por van het jaar. Maar een deel van het morrend voetvolk had de smaak van het protest voorgoed te pakken, demobiliseerde niet, er moest nog zoveel ballast overboord gegooid worden, het gewicht van een katholieke opvoeding, van de hiërarchieën die op hun basis drukken, van de mannen die denken dat ze zwaarwichtiger zijn dan de vrouwen, van het geld dat het leven laag bij de grond houdt, van om het even welk establishment dat zijn voetvolk betuttelt. In de Majestic volgden de klanten vanaf mei ’68 niet meer, was het nu nog niet welletjes geweest, moesten die studenten dan nooit studeren?, ‘Dolle Mina’ was er een scheldwoord en ‘seks’ klonk er even vies als de koffiekletsende dames erover dachten. Frans Maes serveerde hun pannekoeken met stroop, maar zocht in zijn vrije uren de linkse studentencafés op, waar iedereen erbij hoorde en de wereld tussen pot en pint op zijn kop werd gezet.”
 
In die sfeer werd ik volwassen en gooide ik “zoveel ballast” overboord. Geloof begraven, gezagsgetrouwheid afzweren, feminisme omarmen, kapitalisme verwensen, basisdemocratie huldigen: 68 was een totaalpakket.
 
1970 als valse start
Links: het laatste van de adjectieven in mijn 68-relaas werd het epitheton van mijn studentengeneratie. Maar de achtenzestigers opereerden buiten de gevestigde politieke bolwerken en kozen voor klein, radicaal links (in zijn vele schakeringen) en niet (of zeker niet meteen) voor traditioneel links, het socialisme van de BSP. Daarvan was in die jaren nota bene Leo Collard de voorzitter, hij ja, de slechterik uit mijn kinderjaren, én de Waalse socialist die in 1969 een oproep deed tot progressieve frontvorming van de socialistische beweging en de katholieke arbeidersbeweging, zeer te onderscheiden van de linkse strategie Alle Macht Aan De Arbeiders, waarvoor de linkse studentenleiders opteerden.
 
Maar ik ging niet meedraaien in een partij, vakbond of linkse beweging. Zoals ik teveel een ex-kostschoolmeisje was om voluit een Dolle Mina te zijn, was ik teveel mijn vaders dochter om echt rebels te kunnen zijn. En na het verwerpen van het groot gelijk van mijn opvoeders benaderde ik elk zogenaamd groot gelijk terughoudend. Ik ben van nature geen ondernemende voortrekker, wel een enthousiaste volger. Wie me van zijn gelijk, geen gróót, maar een verstandig, pragmatisch gelijk, kan overtuigen, kan op mij rekenen. Maar in 68 vond ik het aan- en opbod van gelijkhebbers blijkbaar te chaotisch voor mijn ordelijke geest.
En toch moet ik voor de gemeenteraadsverkiezingen in oktober 1970 voor de eerste keer gaan stemmen zijn, in Aarschot, een gebeurtenis die ik me niet herinner, laat staan dat ik nog weet hoe ik me van mijn plicht heb gekweten - voorwaar een valse start van mijn stemgerechtigd leven. Maar mijn hoofd en hart stonden dat najaar niet naar politiek, voor een gewezen braaf meisje als ik was 68 behalve een revolte ook een inhaalbeweging op seksueel gebied.
Op wie en welke partij ik een goed jaar later, 7 november 1971, stemde, weet ik daarentegen nog zeer goed. Het was in aanloop tot de toen gehouden nationale verkiezingen dat mijn jongere broer voor de Volksunie begon te militeren en die dag trokken we samen naar het kiesbureau (in Aarschot, arrondissement Leuven) om de drieëndertigjarige Willy Kuypers mee voor de eerste keer naar het parlement te sturen, een memorabel debuut omdat Kuypers met een rolkraagtrui aan in Brussel arriveerde.
Dat een 68’er in 1971 voor de Volksunie stemde, was minder verwonderlijk dan je zoudt denken: in de kleine, wakkere partij had zich een progressieve vleugel ontplooid. Daarbij kwam dat ik als studente moderne geschiedenis een stevige injectie Vlaams gedachtegoed had gekregen: ik had me door toedoen van professor Lode Wils gespecialiseerd in de Vlaamse Beweging, was afgestudeerd met een licentiaatsverhandeling over de geschiedenis van het Davidsfonds 1875-1914 en wilde die nog vervolgen in een doctoraatsstudie.
 
Daarnaast had ik onder leiding van de katholieke journalist Frans van Erps mijn eerste stappen in de journalistiek gezet, in krant De Nieuwe Gids en weekblad De Spectator. Naar hun redactielokalen aan de Brusselse Koningsstraat, een verdieping hoger dan die van de christen-democratische moederkrant Het Volk, was ik meegetroond door Gilbert de Swert, de latere chef van de studiedienst van de christelijke vakbond ACV. Met de zegen van diezelfde De Swert was ik enkele jaren eerder opgenomen in de redactie van het beroemde studentenblad Universitas, gesticht door professor Albert Dondeyne, wél een monseigneur. En met het noemen van deze aartsvader van de open minded naoorlogse katholieke intellectuelen mag deze namedropping volstaan en is afdoend aangetoond dat ik sociologisch nog altijd in de katholieke wereld wortelde, ook al was ik er nu opgeschoten als een nieuwe soort onkruid. Want toegegeven, ik was als medewerkster aan een achteraf bezien hoogst onschuldig “seksnummer” medeverantwoordelijk geweest voor de publicatiestop van Universitas (1933-1970), op een dramatische vergadering in aanwezigheid van de hoogbejaarde Dondeyne zelf.
 
Weekblad de nieuwe als praktijkles
Waarna ik mijn beroepsleven startte in de níet katholieke wereld, onder leiding van een níet katholieke journalist, Mark Grammens, oprichter en bezieler van het progressieve Vlaamse weekblad de nieuwe. Hij nam me in 1971 in dienst als parttime manusje-van-alles en leidde me in vijf jaar tijd op tot allround journaliste.
Mijn eerste milieureportage (over de vervuiling van de Demer), interview (met tekenaar Gommaar Timmermans), Vlaams artikel (over de uitholling van de taalwetten van 1963), sociale reportage (over een wilde staking op de Boelscheepswerf), buitenlandse verslaggeving (vanuit oproerig Belfast), feministisch proza (over de Parijse stripteaseuse Rita Renoir) en mijn vele volgende artikels over alles en nog wat, ik schreef ze allemaal voor de nieuwe, de leerschool waarin ik mijn voordien verzamelde kennis en inzichten over samenleving en politiek kon toetsen aan de praktijk.
Mijn eerste opiniestuk - ik herlees het in verwondering - ging over de Vlaamse politica Nelly Maes, ook pas voor de Volksunie verkozen. Zij nam in 1972 als enig parlementslid deel aan een Vrede-Voor-Vietnam-dag, volgens haar en de VU-jongeren een gemeenschappelijke progressieve actie, volgens de Vlaamse rechterzijde een communistische valkuil. Hoe progressief kan iemand zich in de VU opstellen en hoe progressief wil de VU zelf zich opstellen, was de kernvraag in mijn stuk, een vraag die ik eerder opwierp dan beantwoordde. En die ik daarna dikwijls stelde, naar aanleiding van andere conflicten, in andere organisaties, over andere personen, op een dag ook over de Jong-Davidsfondsers. Die lagen overhoop met hun moederorganisatie en binnen de kortste keren lag het DF ook overhoop met mij, de journaliste die zich opwierp als advocaat voor hun jongerenafdelingen. Omdat tussen mijn pleidooien geen speld tussen te krijgen was, werd ik in conservatieve katholieke kringen dan maar verdacht gemaakt met mijn stukken over de liberalisering van abortus én verbande het DF me uit zijn hoofdgebouw in Leuven, waar ik het archief ordende in aanloop tot mijn (tegelijk afgeblazen) doctoraatsstudie. Die duiveluitdrijving betekende ook mijn vertrek uit de katholieke wereld, waarin ik niets meer te stellen had.
 
Met dat al was ik in de nieuwe de woordvoerder geworden van progressieve basisbewegingen allerlei, van zowat elk binnenlands protest dat ter linkerzijde opklonk en van onruststokers in katholieke middens. Grammens nam de klassieke politieke kwesties en het buitenland voor zijn rekening, Chili, Vietnam, de koude oorlog, onderwerpen waarin hij me ook grondig schoolde, met als grondtoon: neen aan het Amerikaans kolonialisme en het westers kapitalisme. In een later geschreven inleiding van een kunstboek met het werk van GAL, de vaste tekenaar van de nieuwe, schrijf ik bewonderend: “Dáár, in dat kleine, dappere en dwarse blaadje de nieuwe, samenwerkend met die eigenzinnige, semidove en veeleisende hoofdredacteur, dáár is GAL groot geworden.” In een variatie daarop kan ik duidend over mezelf zeggen: Dáár, in dat kleine, dappere en dwarse blaadje met die veeleisende hoofdredacteur, dáár ben ik dissident geworden, een luide stem vanuit het morrend volk.
 
De klassieke politieke kwesties vormden nota bene een stevige boksbal voor de nieuwe. Tijdens mijn jaren daar troonden in België (onder koning Boudewijn welteverstaan) de rooms-rode regeringen (Gaston) Eyskens V en VI, de tripartites Leburton I en II, de rooms-blauwe regering Tindemans I. De toenmalige socialistische politici (met als kopstukken Edmond Leburton, Jos van Eynde, de jonge Willy Claes) spraken me niet aan, op één uitzondering na: de Waal Ernest Glinne, die twee jaar minister van arbeid was, daarna wegdeemsterde in de schaduw van André Cools en later naar Ecolo zou overstappen.
 
De Nieuwe Maand als postgraduaat
Nadat ik uit eigen beweging, overwerkt, onderbetaald, in 1975 bij de nieuwe vertrok, ging ik geschiedenisles geven in het rijksonderwijs dat het Vlaams Gemeenschapsonderwijs werd en dat meer dan het katholiek scholennet in de richting lag die ik bij de nieuwe was ingeslagen. Ik was getrouwd, kreeg drie kinderen, en had het, werk en leven opgeteld, heel druk. Toch zei ik ja toen professor Luc Huyse me in 1981 vroeg hem op te volgen als hoofdredacteur van de nieuwe maand, bij wijze van gratis vrijetijdsbesteding, of toch juister gezegd: van sociaal engagement. Het “tijdschrift voor politieke vernieuwing” lag ook op de weg die ik bij de nieuwe was ingeslagen. Bovendien was het niet opgericht door één man maar door een groep: katholieken en socialisten die tien jaar eerder een open oor hadden gehad voor de oproep van Collard tot progressieve frontvorming. Maar die had intussen zijn bindkracht verloren, verscheurd door de partijpolitiek. Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene waren uit DNM opgestapt om niet meer met het blad geassocieerd te worden nu ze vereenzelvigd werden met de CVP. Waarna ook Karel van Miert uit de redactie verdween, omdat die met hem erbij té socialistisch gekleurd bleef - hij was al enkele jaren voorzitter van de intussen los van hun Waalse kameraden staande Vlaamse socialisten.
DNM zag af van haar oorspronkelijk ideaal, een weg-met-Collard-bis, en stimuleerde, helemaal in de geest van de jaren tachtig, samenwerking rond concrete actiepunten (pacifistisch, feministisch, ecologisch, inzake welzijnswerk en andere vormen van basiswerk), volgde de politieke en maatschappelijke ontwikkeling in België en buitenland op de voet, luisterde naar de Christenen voor het Socialisme, publiceerde de standpunten van de werkgroep Polekar (Politieke Ekonomie en Arbeid), enzovoorts: DNM was voortaan een denktank voor progressieve intellectuelen uit de academische, politieke, journalistieke wereld en de autonome basisbewegingen.
De redactie werd met die aanpak in overeenstemming gebracht, blijvers als Huyse kregen het gezelschap van nieuwkomers als Jos Geysels, het latere boegbeeld van de groenen. Ik noem nog enkele namen: KUL-professor Lode van Outrive, specialist in vakbondsparticipatie, gevangeniswezen, politiediensten (“altijd bekeken vanuit het standpunt van de man en de vrouw op de werkvloer”, zei Huyse op de begrafenis van Van Outrive, 28 augustus 2009); SP’er Norbert de Batselier; ACV’er Gilbert de Swert, hij ja, de coach van mijn start in de journalistiek; Paul Pataer, ooit lid van het CVP-jongerenbureau Martens-Dehaene, later SP-senator en voorzitter van de Liga voor de Mensenrechten; journalisten als Guy Poppe, William van Laeken, Mark Schaevers; Phara de Aguirre, nog geen journaliste, eerst zelfs werkloos, dan werkzaam voor Commissaris voor het Migrantenbeleid Paula D’Hondt.
Al die mensen onder één noemer brengen, lukt het best aan de hand van een omschrijving van socioloog Mark Elchardus, die de Belgische burgers in twee uiterste categorieën indeelde, die hij neutraal-wetenschappelijk benadert en ik vrank en vrij rechtsen en linksen noem, voor mij slechten en goeden. Het goed volk zijn “mensen die hun gedrag laten leiden door solidariteit, voorkeur voor democratische relaties, verdraagzaamheid, geloof in de zin van politiek en in postmaterialistische waarden”, en het waren zulke mensen die wij in DNM bijeenbrachten. En ook al bestond onze club vooral op papier, ze had een thuisbasis: ons Leuvense uitgeverijtje Kritak. Ooit begonnen met KRItische AKtiedossiers, in 1980 toe aan De gewapende vrede van Luc Huyse, over “de Belgische politiek na 1945”. Dat werk vervolgde Huyse in DNM (tot en met “Politiek in de jaren negentig”) en al wat hij schreef was voor mij als een postgraduaat in politicologie en sociologie, terwijl de Kritakwereld mijn nieuwe biotoop werd.
 
Sociaaldemocratie als strategie
Luc Huyse was zo iemand die mij overtuigde van zijn verstandige, pragmatische gelijk. Hij was geen mandataris voor de SP maar wel partijlid, en hij inspireerde mee het politieke discours van Karel van Miert. Dat sprak mij aan en ik ging (ondertussen een dertig jaar geleden) voor de SP stemmen, met een kopstem, de principiële stem, de keuze voor de sociaal-democratie, de beste strategie voor het doordrukken van de beste der samenlevingen: een solidaire en egalitaire welvaartsstaat, harmonieus en genereus, met nationale samenhorigheid en mondiale bekommernis.
 
In die jaren van mijn optimistisch gestemde keuze voor de SP kwam ik eens tegenover Louis Tobback te staan. Hij bekeek me alsof ik een nietswaardig sujet was met wie een discussie geen zin had en vroeg me smalend of ik en alle achtenzestigers niet meer bereikt zouden hebben wanneer we in de socialistische partij aan politiek waren komen doen.
Die zat, en dat wrong en in een artikel over 68-veertig-jaar-later, “De grote oversteek” (Muziek & Woord, april 2008), rakelde ik het weer op: “Die vraag [van Tobback] is terecht en zelfs de ideale jubileumvraag bij veertig-jaar-later, nu onze fameuze generatie de pensioenleeftijd heeft bereikt. Want de achtenenzestigers zijn allemaal zestigers geworden, onze ooit zo veelbelovende generatie is van de ene kant van het leven aan de andere beland, voorwaar ook een grote oversteek.” Ik herinnerde daarbij aan wijlen Michiel Vandenbussche (1945-2006), een 68-kopstuk die wel in de SP terechtkwam, als prima basiswerker en Vlaams politicus in Brussel. Ik bekende mijn bewondering voor Kris Merckx, een 68-kopstuk dat radicaal links bleef, als boegbeeld van de groepspraktijk Geneeskunde voor het Volk in Hoboken. Maar ik overzag niet mijn eigen politieke cv, wat ik in dit artikel wél probeer te doen. Zodat ik nu pas weet wat ik Tobback had moeten antwoorden: dat hij, Leuvenaar, parlementslid sinds 1974, daar beter ook tussen had gezeten op het asfalt voor de Galeries Anspach, dat de socialisten meer bereikt zouden hebben (want goed volk hadden kunnen recruteren) wanneer ze in de jaren zestig tussen de studenten zouden gestaan hebben, dat de socialisten helaas geen verbinding zochten met de universitaire contestatie zoals ze in het verleden geen (of toch een te zwakke) verbinding hadden gezocht met de Vlaamse beweging.
 
Maar goed, geen nood: ik ken persoonlijk veel mensen die, ook als geen partijlid en wel als trouwe kiezer, bij de SP terechtgekomen zijn op dezelfde manier als ik, komend uit een katholiek nest, overhellend naar links, overtuigd door Huyse, Van Outrive, Vandenbussche, Christenen voor het Socialisme of de voorbeeldige basisdemocraat Jef Sleeckx. Geen van allen geboren socialisten, geen van allen grootgebracht met 1 mei-enthousiasme, geen van allen handarbeiders, en ook geen van allen biefstuksocialisten of salonsocialisten (want waarom zouden ze, als niet-leden). En het was Tobback zelf die ervoor zorgde dat in de SP een man aan politiek ging doen die mijn soort SP-kiezers deed overschakelen van een kopstem op een naamstem - voor Frank Vandenbroucke, die in 1985, op zijn dertigste, voor het eerst naar Brussel ging.
Vandenbroucke was, als lid van de werkgroep Polekar, een van die jonge academische en/of politieke beloften die hun pen hadden gescherpt in DNM. Zijn politieke discours lag voor mij in het vervolg van dat van Huyse, de verzuiling voorbij, richting “Vernieuwbouw”. Dat is de titel van het slotdeel in Over politiek, het verzameld werk van Huyse en een standaardwerk over België (dat in 2003 verscheen bij Van Halewyck, het vervolg van Kritak). Ik streepte er vet een zin in aan over de bouwstenen waarmee vandaag gewerkt moet worden (in de politieke reflectie, een democratie én goed bestuur) en die Vandenbroucke me dunkt ook heeft onthouden: “Zo is het besef gegroeid dat een mix van staat én markt én civiele sector nodig is, want elk van de drie componenten is drager van een unieke maatschappelijke opdracht.”  
 
Een Vlaams project als collector's item
Huyse trok zijn vernieuwbouw niet op in ons tijdschrift voor politieke vernieuwing. DNM zette er, met Mark Schaevers als hoofdredacteur en mij als gewoon redactielid, eind 1993 een punt achter, bij gebrek aan abonnees. De redactie vond dat Huyse terecht zei dat hij met een opiniestuk in De Standaard zoveel meer lezers bereikte, dat hetzelfde gold voor andere medewerkers en dat vele bijdragen ook elders mooi zouden staan. Het laatste nummer eindigde met een register 1981-1993 dat leest als een lijst van de belangrijke en interessante onderwerpen in die jaren. Op die lijst prijkt, pour la petite histoire, ook het artikel “Velen zijn geroepen” van Phara de Aguirre over het BRT-examen voor journalist, een story met een happy end (DNM maart 1991). Dat heb je met mensen die bijdragen aan het permanente debat in zo’n blad: ze vliegen naar een andere stek waar ze goed, beter, best tot hun recht komen.
 
De laatste bijdrage van Vandenbroucke aan DNM is een collector’s item. In “Het tijdperk van de Belgische excuses is voorbij” (DNM maart 1989) beantwoordt hij een brief van Luc Huyse (DNM februari 1989) met daarin de vraag of de SP eindelijk met een eigen project voor Vlaanderen voor de dag gaat komen. Daar kun je op rekenen, luidt het antwoord, de socialisten hebben mee de ruwbouw opgetrokken van het Vlaams huis in het federale België en willen zich mee inzetten voor de verdere uitbouw en afwerking. Vandenbroucke giet het SP-project voor Vlaanderen in vier items: in het rijke Vlaanderen niet aan uitsluiting van deelgroepen doen; de ecologische verloedering bestrijden; het oude Belgische centralisme vervangen door Vlaamse decentralisatie (met als eerste cruciale test: de reorganisatie van het Gemeenschapsonderwijs); een cultuur van openheid en verdraagzaamheid ondersteunen, inbegrepen een modern internationalisme. Het einde van de brief citeer ik voluit: “Papier is natuurlijk geduldig, en een politiek project is méér dan een regeerprogramma. De feiten zullen moeten aantonen dat wij voor het Vlaamse huis in Europa niet alleen de creatieve linkshandige architecten, maar ook betrouwbare aannemers zijn. Ik bedoel daarmee: aannemers die zich aan hun woord houden.”
Meer moet dat niet zijn, tot en met vandaag, twintig jaar later. Vandaar dat ik hierboven de tegenwoordige tijd gebruikte en niet preciseerde dat Vdb in ‘89 de kersverse SP-voorzitter was (wat hem minder bleek te liggen dan zijn latere ministerschap, maar dit terzijde).
 
Vandenbroucke houdt in zijn project rekening met het “milieu-feit” en de invloed die de groene beweging sinds het begin van de jaren tachtig uitoefent, met Agalev vanaf 1979 als politieke concurrent voor de SP. Hij schrijft ook uitdrukkelijk dat o.a. de uitsluiting van migranten en hun kinderen moet worden tegengegaan en dat economisch herstel gepaard moet gaan met samenlevingsherstel, ook al moet Boeman Blok zijn opmars nog starten: in 1987 stuurt die twee mandatarissen naar de Kamer, na zwarte zondag 24 november 1991 al twaalf.
Luc Huyse was in zijn beginnende politieke reflectie over de jaren negentig dan ook zeer pessimistisch (nog in DNM, november 1992). Hij waarschuwde voor het democratie-onvriendelijke karakter van het Vlaams Blok en voegde eraan toe dat je dat niet in zijn zondags kostuum moet bekijken, wel in zijn werkkledij. Want dát was de verschijning waarin Filip Dewinter erin slaagde ook de traditionele linkse achterban met succes aan te spreken. Waarna tot overmaat van ramp het Agusta-schandaal de socialisten te kijk kwam zetten.
 
Maar zie: de federale en eerste regionale verkiezingen in 1995 werden geen afstraffing voor de socialisten. Dat was aan Vlaamse kant de verdienste van Louis Tobback, de rots in de branding, en óók van de zeer vele niet-traditionele kiezers voor de SP. Want wij wisten het wel zeker op dat cruciale moment: wij mochten de socialisten niet uitgeteld laten verslaan in de boksring van de politiek.
 
Groen-rood als voorwaarde
Frank Vandenbroucke trok zich terug in Oxford en keerde pas in 1999 terug, in de regering Verhofstadt I. Als federale minister van Sociale Zaken (inbegrepen gezondheidszorg en pensioenen) en van Werk bleek hij ook in het Belgische pand een creatieve architect en betrouwbare aannemer te zijn (en wie hem bleef zien als de dwaas die geld liet verbranden, moest wel heel dom en kortzichtig zijn). In de SP brak de tijd aan van de voorzitters Patrick Janssens en Steve Stevaert. Die laatste sprak mij niet aan met zijn populistische discours, maar hij boorde wel weer een nieuw publiek aan voor zijn partij. Ik luisterde met binnenpret naar de enthousiaste commentaar die Limburgse vrienden en kennissen (ook ex-katholieken en waarschijnlijk ex-CVP-stemmers) op hem gaven.
 
Ik had mij intussen aan het schrijven van literaire boeken gezet (waarvan, tussen haakjes gezegd, het jongste, een jeugdboek, bij het Davidsfonds verscheen, waarbij ik vaststelde dat niet ik en wel het DF in de loop der jaren het meest veranderde). Politiek bleef ik rood, en een enthousiaste volger van Vandenbroucke. In aanloop tot verkiezingen ging ik, geen partijlid maar op mijn manier toch militant, pamfletten in de hand, kiezers voor hem winnen. Dat werd almaardoor gemakkelijker. Eerst moest ik keer op keer het verhaal van het verbrande geld bezweren, daarop kon ik meer en meer met de maximumfactuur en dienstencheques zwaaien, en bij de jongste verkiezingen maakte ik iets grappigs mee: ik overhaalde mijn fitnesslerares om voor Vandenbroucke te stemmen en zij overhaalde op haar beurt haar vader, wat ze me rapporteerde met de glunderende toevoeging van een extra argument pro Vdb: “want dat was toch dezelfde die vies geld verbrandde hé?”        
Waaraan ík wel moet toevoegen dat rondom mij en in mijn gezin het goed volk twijfelde tussen rood en groen. Velen losten die twijfel pragmatisch op: ze gingen Europees voor de groenen stemmen, bleven federaal voor de SP kiezen als dat strategisch geboden was (als in 1995), en kozen regionaal, én bij gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen, sowieso voor de SP, om het VB af te blokken.
 
“Groen-Rood Feest!” kondigen ik en de mijnen aan wanneer we familie en vrienden bij ons thuis uitnodigen voor het après-vote op verkiezingszondagen (met een niet te controleren, maar wel te vertrouwen groene of rode stem als entreebiljet). Wij halen rode slingers en vaatdoeken tevoorschijn zoals 1 mei-vierders rode vlaggen en sjaals opduiken, we zetten onze groene fauteuil op de ereplaats voor de televisie en leggen op stoelen en banken groene kussens. De koks onder ons rechten een groen-rood buffet aan en we heffen de glazen op Frank of Patrick, op Bart Staes of Meyrem Almaci.
Toegegeven, op onze groen-rode-feestjes heeft het huilen ons al nader dan het lachen gestaan, omdat de verkiezingsuitslagen zo zwart kleurden, of de katholieken terug oprukten en het centrum weer veld won, of het populisme weer toesloeg, of dat alles samen zich had voorgedaan. Want de politieke ontwikkeling is er in dit land niet gunstig op vooruitgegaan.
 
Frank Vandenbroucke als bloempot
De opsteker tijdens ons groen-rood feest op 7 juni 2009 was natuurlijk de achteruitgang van het Vlaams Belang. De ontgoocheling kwam een maand later, toen Vandenbroucke geen Vlaams minister van onderwijs mocht blijven. De afknapper volgde in het najaar: het gezichtsverlies van de Socialisten en Progressieven Anders (zoals die frontvormers nu officieel en nogal ondemocratisch heten) toen in oktober interne e-mails uitlekten over de portefeuilleverdeling in de Vlaamse regering en het partijcongres over het regeerakkoord.
 
Horresco referens, maar ik haal de e-mails toch tevoorschijn. Dat luchtig toontje en samenzweerderstaaltje, die loze pretentie - alsof Jan Eelen van Woestijnvis tekst voor de ergerlijke Bucky Laplasse van Het eiland heeft geschreven. En dan de flut die wordt geschonken, partijpolitieke beuzelarij die niets te maken heeft met een serieuze aanpak van politieke verantwoordelijkheid.
Overigens is niet de sensationele e-mail (waarin ene Barteld Schutyser op de mandatarissen neerkijkt) de ergste, wel die met het scenario voor het partijcongres. Ik citeer: “Bevoegdheidsverdeling is geen discussiepunt op congres, maar dat N-VA werk heeft, zal zeker stof tot discussie opleveren.” Dat kan ik me voorstellen ja, dat serieuze socialisten het erg vinden dat de bevoegdheid Werk naar de N-VA is gegaan, in combinatie met Financiën, terwijl ze in de vorige regering voor de SP’er Vandenbroucke was, in de goede combinatie met onderwijs die Vdb zeer ter harte nam. Maar geen nood, in de sensationele e-mail gaat het ook al over het congres en over hoe tot slot de aandacht kan worden afgeleid: de toespraak van partijvoorzitster Caroline Gennez (ik herhaal: op het congres ter goedkeuring van het Vlaamse regeerakkoord) “moet ons al geleidelijk wegduwen van de Vlaamse Regering en ons doen kijken naar het federale, waar we nu met Bruno een grote move gemaakt hebben”.
Het scenario voor het congres (10 juli 2009) is strikt, al voorziet het dat er zeker niet op tijd wordt begonnen. En al is “l’assasinat” beklonken (“Frank moet weg, daarover zijn we het eens”), op het congres moet hij nog meedraaien en daarom stellen de organisatoren voor “om op het podium sowieso Caroline, Frank en Jan C [Cornillie, directeur van de studiedienst] te zetten, zodoende kan Frank zich al moeilijker dissociëren.” En wat moeten de drie onderhandelaars van het regeerakkoord op het podium doen? “Vraag is of we aansluitend John [Crombez] de begroting of de nieuwe budgettaire ruimte laten toelichten? Dat lijkt me [Milan Rutten, directeur communicatie] opnieuw zinvol, toont openheid. Optie is om Jan dit te laten doen (maar dan ontstaat de vraag wat Frank kan zeggen, want anders is hij de enige bloempot op het podium)?”
 
Ik weet niet hoe het congres in werkelijkheid is verlopen en of Vandenbroucke (lang voordat de e-mails uitlekten) zijn rol van bloempot heeft gespeeld. Ik weet wel hoe hij op zijn vertrek uit de Vlaamse regering en de e-mails reageerde: zonder zich te “dissociëren”, fatsoenlijk en discreet, bezorgd over de SP.a en ongerust over de toekomst van de sociaaldemocratie in Vlaanderen.
De SP.a? Pfioew, laat die maar wat aanmodderen zeg. Haar nieuwe stijl (of stijlloosheid) is niet aan mij besteed en ik hoor of lees het wel wanneer ze weer interessant en meeslepend uit de hoek komt.
De toekomst van de sociaaldemocratie, zeg maar links, in Vlaanderen? Daarover moeten we ons inderdaad ongerust maken. En “er zal ook gepraat moeten worden met de vakbond, want werk geven aan de NVA, ai ai,” zou “Bucky” Schutyser daaraan toevoegen.
 
Vlaams-links als duet
Zo ben ik de partijpolitiek cynisch gaan bekijken en in een staat van politieke ontmoediging beland. En dan woon (en stem) ik nog op een politiek onaangename plek, in Overijse, Brusselse rand. De taalgrens ligt op een paar meter van onze deur en is tegelijk provincie-, gewest- en gemeenschapsgrens - onze overburen wonen in het Waalse La Hulpe. Buitenshuis is alles pais en vree, binnenshuis liggen communautaire kwesties gevoelig. Mijn man-Belgicist, hier geboren en getogen voordat de taalgrens werd getrokken, wil zelfs niet weten hoe het precies met BHV zit.
Toegegeven, ik wilde dat eerst ook niet weten. Tot ik het onderwerp met frisse tegenzin opnam in mijn column “Zonder omwegen” in het maandblad RandKrant, vanaf januari 1997 mijn Vlaamse uitklaapklep: “Maar BHV is geen kieskring als een ander, met daarin de gewone gang van zaken, een x aantal bewoners dat een y aantal zetels in het parlement bemant (m/v). BHV is een draak met drie hoofden die treffend op het oude unitaire België gelijkt.” Dat schreef ik in mei 2003, waarna ik zo overmoedig was om in een volgende column drie faciliteitengemeenten (Linkebeek, Kraainem, Wezembeek-Oppem) naar Brussel over te hevelen, in ruil voor de evidente aansluiting van Halle-Vilvoorde bij Leuven, samen de kieskring Vlaams-Brabant, en de creatie van de kieskring Brussel.
“Oef” gaf ik als titel mee aan dat weg-met-de-f-gemeenten. Maar dat verscheen niet in de RandKrant, door zelfcensuur. Hoofdredacteur Henry Coenjaarts vreesde andermaal Vlaams-rechts protest in de beleidsorganen van het blad, een uitgave van de Vlaamse Gemeenschap en Vlaams-Brabant. 68’er Coenjaarts, een ervaren beroepsjournalist die van de RandKrant een vaste waarde voor de randbewoners maakte, stond er weliswaar op dat zijn medewerkers vrij hun mening vertolkten, maar het bleef schipperen, elf jaar lang, tot zijn contract niet werd vernieuwd en mijn Vlaamse uitlaatklep werd toegeklapt. De RandKrant is sindsdien een onberispelijk Vlaams blad met veel informatie en beschrijving.
 
Vlaams-rechts, voor velen is dat eenstemmig gezang, ook omdat Vlaams-links niet opklinkt als duet. Vlaams en links lijkt zelfs hoe langer hoe meer een contradictio in terminis, en de SP.a’ers gaan blijkbaar niet (“nu ze met Bruno een grote move gemaakt hebben” zou “Bucky” S zeggen) de barricaden op om dat misverstand uit de wereld te helpen. Vandenbroucke ja, die wil links én Vlaams zijn en als Vlaams minister wilde hij dat de SP.a (toen federaal in de oppositie) actief zou deelnemen aan de gesprekken over de staatshervorming (om Vlaams links daarin óók een stem te geven). Maar die verdomde einzelgänger is nu dan in zijn partij weggehoond (als linkshandige architect en betrouwbare aannemer) en het is wachten op de volgende verkiezingen om het effect van dat weg-met-Vandenbroucke volledig in te schatten.
 
Zelf ervaar ik links en Vlaams niet als tegenstrijdig, met dien verstande dat links voor mij een keuze is en Vlaams een feit, onderdeel van mijn identiteit. “Ik ben een kameleon,” schrijf ik in “Zwaaien met de goedendag” (Eigenzinnig Alfabet, Van Halewyck, 1998). “In de wereld ben ik een Europeaan, in Europa een Belg, in België een Vlaming, in Vlaanderen een Brabander en in Brabant een Hagelander.” En ik ben het dan wel oneens geworden met mijn vader, toch gelijk ik op hem: principieel en pragmatisch, en op mijn manier een amateur-vrederechter die uit is op verzoening of dwingende regeling.
 
Voor de nu eenmaal noodzakelijke verdere staatshervorming zijn pragmatisme en verzoening of dwingende regeling geboden. En Vlaams-links-of-progressief moet zich daarbij inderdaad laten horen. Daarom ben ik gaan meedraaien in de Gravensteengroep, opiniemakers die in hun eigen woorden “vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar het eens zijn in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal, en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af. Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met (extreem) rechts gedachtegoed worden geassocieerd.”
De Gravensteengroep is een wat bizarre club, met daarin zowel filosoof Etienne Vermeersch als acteur-regisseur Jo Decaluwe, en zowel politicoloog Bart Maddens als ABVV-militant Karel Gacoms. Ik voel me er niet zo in thuis als destijds in De Nieuwe Maand, wat te maken heeft met de heterogeniteit en verschillende uitvalsbasissen van de leden. Maar de Vlaamse strijd moet helaas nog worden uitgestreden en Vlaamse, linkse militanten moeten zich daarvoor blijkbaar los van een politieke partij inzetten en bij wijze van gratis vrijetijdsbesteding, of toch juister gezegd: van sociaal engagement.