S van struikrover

Ereschavot voor Louis Paul Boon

Johan Anthierens, De Volkskrant, "Denk om de buren", 6 juni 1981 / Ooggetuige, Van Halewyck, 2005, p. 319-24

"Wysen ende condemneren u tot reparatie van alle ’t gone voorschreven, Armen, Beenen en Billen ende Landeren levendig gebrocken te worden, op een Schavot op de Merckt alhier, ende geleyt te worden op een Radt het aensigt gekeert naar den Hemel, om aldaer te blyven tot’er tydt dat het Godt gelieven sal u in het leven te laeten. (...) Voorders condemneren u prealabelyck tot de Torture ordinair ende extraordinair omme te hebben revelatie van uw voordere Moorden, Dieften ende complicen."
Uit het vonnis van Jan de Lichte.

Voorspel. In de ochtend van 14 november 1748 werd de 23-jarige Jan de Lichte uit het nabije Velzeke voor het stadhuis van Aalst geradbraakt. Naast diefstal, brandstichting en folteringen bekende hij (onder ordinaire en extraordinaire torture) de moord op vijf mannen en een vrouw. De Lichte en zijn kompanen waren ongeletterde schobbejakken in een tijd dat Vlaanderen een slagveld was, permanent omgeploegd door Spaanse, Oostenrijkse en Franse rovers en brandstichters in wapenrok. Het gewone volk was een straathond die mocht creperen. In dit licht valt te begrijpen hoe een in het wilde weg opgegroeide jongen zich door het leven sloeg, krabde, vocht en stak, de Grote Nederlandse Larousse stelt dat men "Jan de Lichte en bendeleden kan beschouwen als slachtoffers van het toenmalige pauperisme in Vlaanderen". De naam van de schelm konden zijn rechters niet breken. Zijn "heldendaden" werden in de streek van Aalst overgeleverd en een kwarteeuw geleden schreef Louis Paul Boon De Bende van Jan de Lichte. Dat boek gaf het fait divers een sociale cinemascopedimensie en draaide de stereotiepe begrippen omtrent Goed en Kwaad een poot uit.

Enkele maanden na zijn dood, in mei 1979, denkt de stad Aalst eraan voor Boon een standbeeld op te richten. De Belgische staat wil daar geld voor uittrekken en de Louis Paul Boon Vereniging, een samenscholing van prominenten, vertrouwt de opdracht toe aan Roel d’Haese, onze beste beeldhouwer, halve Aalstenaar en volle vriend van de overledene. D’Haese zweert bij een drie meter hoog beeld van Jan de Lichte, de Vereniging juicht de keuze toe, Roel gaat aan de slag, Aalst laat begaan.
Maar nu Jan gestalte krijgt, zien de Aalsterse CVP-schepenen het eerbetoon aan de pornoschrijver, zoals Boon in de Winkler Prins door de katholieke professor René Felix Lissens wordt betiteld, met frisse huiver tegemoet. Omdat zijn uitzonderlijk talent niet te loochenen valt, lopen zij echter in een boog om Boon zelf heen en richten hun pijlen op het standbeeld, schandvlekken de in brons opdoemende Jan de Lichte. Binnen onze muren geen voetstuk onder een gemene moordenaar.
Met Hugo Claus, lid van de Vereniging, rijd ik naar Nieuwpoort, waar ik ten huize van Roel d’Haese (59) en Chris Yperman (45) het beeld in wording bewonder. We steken er de benen onder een diner waarmee de gastvrouw het mannengezelschap verwent (vispastei, pladijslinten in mosterdsaus, charlotte au miel) en heffen een drinklied aan dat wordt toegedicht aan de Bende van Jan de Lichte:

"O mosken, dok ’nen klip mee roei
’t Maast kiewiger as flens;
Ge sjoert veur ou en pierige koei,
Me ritsen bij en lens
En noch veur koes noch chanterik peu;
Sa, knullen, buist, tralalala,
Sa, knullen, buist, trala!"

"O vrouwke, geeft een pot met bier
’t Is beter nog dan melk;
Ge ziet voor u een vrolijke groep,
We zijn het drinken nimmer moe
En voor duvel noch diender bang;
Sa, makkers, drinkt, tralalala,
Sa, makkers, drinkt, trala!"

D’Haese: "Louis was geen smulpaap, Louis was een maaglijder. Die jongen kon niet eten, zat de hele tijd door brood te soppen en er op te sabbelen, om de zuren te verschalken. Bovendien was Boon behept met het ingebakken complex dat lekker niet mag, hij beschouwde gastronomisch genot als verraad aan het proletariaat. Jeanneke en Louis aten ronduit slecht."
Claus: "De angst voor het oordeel van zijn omgeving zat er diep in. Vooral niet als een aansteller overkomen, Louis met de pet blijven, die per ongeluk ook schildert en schrijft."
Yperman: "En Claus was zijn obsessie. Ik hoor hem nog in lijzig gazettenvlaams zeggen: 'Die Claus wil alle prijzen die ik heb gehad.'"
Claus: "Boon is naar mijn gevoel de grootste Nederlandse schrijver van de voorbije halve eeuw, groter dan Elsschot, door sommigen zo op een piëdestal gezet. Elsschot draait zijn hand niet om voor een meesterwerk, hij overziet het onderwerp kaas en zet zich aan het uitschrijven ervan. Keurig zonder kuchen. Boon baadt in angstzweet, schaatst over glad ijs, schrijft met de ogen dicht, neemt een duik in het duister, lift in de mist. Wie zoals hij een labyrint binnendringt, valt op door zijn verrassend, dus interessant gedrag."
D’Haese: "Dat klopt, wie alles in de vingers heeft, werkt eerder vervelend dan verrassend. Creatief zijn is grensverleggend, de rest is routine, vakmanschap."
Claus: "Nu die hoed is gelicht, past het de minder glanzende aspecten van het personage te belichten, want we zijn volop onderweg naar een heiligverklaring, Boon die zo eenvoudig bleef, die zo bescheiden was, etcetera. Ik heb Boon gekend als een uitermate ambitieuze man die daar niet voor uitkwam. Dat irriteert mij zo aan Vlaamse letterkundigen, het wegmoffelen van rechtgeaarde ambitie. Binnenskamers alles wat met letterkunde te maken heeft doorvlooien en bespieden, maar als je betrapt wordt in een banale mimiek hervallen. Want schrijven is snoeverij, meer willen zijn dan de buurman, verwaten beuzelarij. In 1963 moest er voor het ministerie een monografie over Boon worden geschreven. Dagenlang hangt hij bij mij aan de telefoon, of ik dat wil doen. Ik zeg, nee Louis, ik schrijf geen kritieken, ik heb daar geen zin in en geen verstand van. Maar hij, met zijn vliegensvlugge debiet, blijft aandringen, gij moet dat doen. Bon, ik zwicht, ga aan de slag en na verloop van huisvlijt bel ik hem dat het karwei geklaard is en of hij het resultaat op stommiteiten wil navlooien. We spreken af, ik tref hem op de redactie van zijn krant de Vooruit temidden van zijn kornuiten daar. Ik overhandig de paperassen: Louis, voilà, dat is het. Hij doet of hij uit de lucht valt: wat is dádde? Hij draait en keert het manuscript, legt het opzij. Uit pure gène voor zijn krantengabbers stelde hij zich aan, ik had hem kunnen doodschieten. En ik had de monografie nog wel aangevuld met een bloemlezing van representatieve passages uit zijn oeuvre, waaraan ik weer de nodige tijd had besteed, slecht betaald, tegen mijn zin. Té representatief, blijkbaar, het boekje was ook voor scholieren bestemd en naar de zin van de ambtenaren te hoog (en te laag) gemikt voor pubers. Boon ging voor het ministerieel verzet meteen door de knieën en belde mij op om met alle dank en excuses te zeggen dat Karel Jonckheere de bloemlezing zou overdoen. Enfin, Boon was een aanzienlijk complexer iemand dan de icoon die ons nu wordt voorgehouden."
D’Haese: "Op televisie was hij om met stront naar te gooien. Wat is zijn beste boek, Hugo?"
Claus: "Ik heb net Eros en de Eenzame Man gelezen, naar objectieve maatstaven een baarlijk ding, in mijn ogen grandioos. Een verzameling levenspuin, beantwoordt beslist niet aan de canon van de literatuur, ik ervaar het als een meesterwerk, eentonig geschreven, op het zeurderige af, een beetje de Sade, fascinerend."
D’Haese: "Mijn Boon-boek is Abel Gholaerts, ik kan geen enkel beeld dat hij
daarin oproept, vergeten. De personages, de plaatsen, de kamers, het straatje, het zit in mij verankerd. Het is een beetje het levensverhaal van Vincent van Gogh, een eerste deel tekent het noorden en de regen, een tweede deel het zuiden en de zon. Typisch voor Boon is dat hij het zuiden niet haalde, wij blijven in het noorden hangen. Dat indringende van Abel Gholaerts heb ik daarna gemist. Ik hou alleen van Boons jonge periode, aan het latere werk heb ik geen boodschap."
Claus: ‘Menuet is mooi. Een simpel gegeven: een man, een vrouw, een dienstmeisje. Alle drie vertellen ze eenzelfde situatie, ieder vanuit zijn gezichtshoek. Als boek onrustwekkend, met weer het welsprekende stotteren van Boon. Hij wil de intrige psychologisch uitspinnen en slaagt er niet in, vandaar dat moeizame formuleren dat op de duur beklemmend werkt, alsof de personages zelf met moeite uit hun woorden komen. Hoogst interessant."
Op Het Geuzenboek, dat ik gigantisch goed vind, is D’Haese afgeknapt, en Claus zegt dat hij rond het boek draait als een kat rond de brij.
Waar moet het betwiste standbeeld komen? De maker oppert dat de Grote Markt de voorbestemde plaats is, voor het stadhuis waar Jan de Lichte op het rad stierf. In Aalst wordt overwogen Jan neer te zetten bij een nog te bouwen Cultureel Centrum, ook omdat boekdrukker Dirk Martens het marktplein beheerst. D’Haese: "Martens heeft ons boeken leren drukken, Boon schreef ze, recht voor de raap van het volk. Zoals Martens bij een cultureel bouwwerk past, horen Jan en Louis op het plein, tussen de kraampjes en vrouwkes die met zware boodschappentassen leuren."
Wat als Jan de Lichte persona non grata blijft? Roel d’Haese verwijst naar het precedent met James Ensor. Enkele jaren geleden creëerde hij voor Oostende een beeltenis van de beroemde schilder, maar de badplaats toonde geen interesse, waarop D’Haese zijn creatie vernietigde. Van de hele Ensor blijft alleen de reusachtige kokkerd over, als bewijsstuk. Hugo Claus vindt zo’n reactie van Roel Noord-Iers dom, je moet jezelf niet vernietigen om anderen te plezieren. "Had hem aan mij gegeven", zegt Claus, hebberig verongelijkt.


Souvenir
De Morgen, "Schrijfgerief", 9 november 1988

Lieve meneer Boon,

Het zal u verblijden te vernemen dat op dinsdag 25 oktober 1988 in Aalst een borstbeeld van u werd onthuld. Het staat in Erembodegem tegenover uw huis, zodat Jeanneke ’s morgens in haar negligé het gordijn maar hoeft opzij te schuiven om naar u – ‘ciel, mon Louis!’ – te wuiven.
Uw Kapellekensbaan is onze Max Havelaar, uw Geuzenboek leest als Het Verdriet van Vroeger Vlaanderen en zoals Simon Carmiggelt veertig jaar lang in de Amsterdamse socialistische krant Het Parool een "Kronkel" schreef, scheidde u tussen 1959 en 1978 dagelijks een "Boontje" af in de Gentse socialistische gazet Vooruit.
Ach, meneer Boon, lichte gêne bevangt mij, het is de debuterende dode Simon Carmiggelt die twee dinsdagen geleden in het Eerste Weteringsplantsoen op een sokkel werd geplaatst, het is zijn vrouw Tine die bij het aanbreken van een nieuwe dag in haar rose nylon duster op haar man mag neerblikken. Zij kan tijdens tochtig novemberweer Simons bronzen neus snutten, in de kerstnacht de ijsfloers van voor zijn ogen wegademen. Amsterdam laat over de herinnering aan de geliefde slenteraar geen zoden groeien, het scheelde niet veel of men had zijn laatste adem vacuüm verpakt in een bruine kroeg boven de tap gehangen.
Bij ons ligt zoiets stroever. Al een jaar nadat u Lowietje de Dood was, had Roel d’Haese een souvenir klaar, niet uw wat boertig uitgevallen verschijning, wel de elegante silhouet van Jan de Lichte, omdat u een zwak had voor zwakken. Hugo Claus laste er een litanie bij, met als envoi van de gevierendeelde aan het adres van de Heilige Drievuldigheid: ‘In uw rijk van het hemelse slijk kunt gij mijn versplinterde botten kussen. Mijn ziel en lijk lever ik liever aan de mussen.’ Het was de bedoeling dat Jan in het hart van Aalst zou staan, op de plek waar zijn lijf van overheidswege aan flarden werd gescheurd. Maar daar had uw stadje geen oren naar. Geen moordenaar in ons midden, steigerden burgemeester en schepenen, geheel in de geest van de vroede en wrede voorvaderen. In feite pakt men Jan een stok uit de hand om er u mee te slaan, want u schreef vuile boeken, spaarde pornoprentjes, penseelde pissende meisjes en verkocht schuine klap. Na jaren voor de poorten van de stad te hebben gebedeld, werd het beeld van Jan de Lichte op 1 mei vorig jaar in het Antwerpse vergaarpark Middelheim gedumpt, zestig kilometer buiten Aalsters oogbereik. Op de markt van de carnavalswrat blijft boekdrukker Martens tronen. Je mag in Aalst het boek uitvinden, maar waag het niet er een te schrijven.