G van GAL

Onze GALerie
Inleiding van Johan Anthierens, GAL: De overspannen jaren. Opgetekend van 1960 tot 1996, Epo/De Geus, Berchem/Breda, 1996.

Laat mij u geen sprookje vertellen.
Er was eens een jongetje dat op de buiten woonde en nieuwsgierige ogen had. Op zijn dertiende jaar won hij met een tekening van een boerenpaard een wedstrijd die door een krant was uitgeschreven. Zo kwam het dat het jongetje van zijn ouders naar een tekenschool mocht. Hij deed erg zijn best, werd een meester in het tekenvak en is dat gebleven.
 
Twintig jaar geleden plaatste een journalist van Notre Temps, die een tentoonstelling van het werk van Gerard Alsteens beschreef, boven zijn artikel “GAL le Génial”.
Franstaligen kraaien nogal vlug “c’est génial”, maar in het geval van GAL hebben zij gelijk: het jongetje bleek buitengewoon begaafd en ging bijzonder origineel te werk.
Het boerenpaard trok de voor naar de tekenschool. Zo gaat dat in een mensenleven: een kleine aanzet heeft grote gevolgen. In het geval van Gerard Alsteens kwam er ook veel inzet aan te pas. Hij leerde tekenen zoals een muzikant zijn instrument leert bespelen, door dagelijks vingeroefeningen te doen en onvermoeibaar opnieuw te beginnen. Zelfportret, Madonna of Stilleven, om het even, het was de kunstenaar in spe alleen te doen om het beheersen van lijnen, vormen en kleuren.
 
Zo gauw hij de knepen van het vak in de hand had, brak een volgend baanbrekend moment in zijn bestaan aan. Die zet, zijn meesterproef voor het behalen van zijn diploma grafisch kunstenaar, bedacht hij zelf: hij bood het weekblad De Linie aan de lay-out voor zijn rekening te nemen. Al wat er niet het geschreven woord was, trok hij naar zich toe: na de vormgeving, de illustraties en na de grappige tekeningen, de politieke cartoons. Om dat genre krachtig te beoefenen, gaf hij zich een korte naam: zo werd GAL geboren.
Anderen zagen hem bezig en porden hem aan: zijn lievelingsleraar aan de Sint-Lukas-Academie, de jezuïet-hoofdredacteur van De Linie, de schare medewerkers aan dat blad die een verzameling vreemde vogels waren. Een van hen heette Mark Grammens, geen jezuïet, maar dat was aan hem niet te merken. Toen De Linie op bevel van Rome werd opgedoekt omdat het blad zo zijn eigen opvattingen had, deed die Grammens gewoon voort, in een blad dat nu de nieuwe heette.
Vooruitziend als hij in die dingen was, nam Grammens de tekenaar en vormgever van De Linie mee. Dáár, in dat kleine, dappere en dwarse blaadje de nieuwe, samenwerkend met die eigenzinnige, semidove en veeleisende hoofdredacteur, dáár is GAL groot geworden.
GAL en de geest van de nieuwe werden iets zoals Van Gogh en het licht van de Provence. Het zijn beide verhalen zonder woorden, zodat ik die hier niet hoef te verzinnen.
Ik kan er wel, uit ervaring, van meespreken dat generaties Vlamingen door de nieuwe zijn opgevoed tot maatschappelijke mondigheid en hun denkbeelden week in week uit afgedrukt zagen in tekeningen en zo een waardevolle en onverwoestbare bagage meekregen voor het vervolg van hun leven. Vietnam, Chili, de Derde en de héle Wereld werden voor ons door GAL in kaart gebracht. De Koude Oorlog, de Palestijnse kwestie, liberalisme, socialisme en communisme werden onder onze ogen door GAL tot hun essentiële trekken teruggebracht. Mao, Nixon, De Gaulle, Thatcher, hun voorgangers en opvolgers op het wereldtoneel, de oude Belgen Tindemans, Leburton, Martens, hun nog oudere neven, jongere broers en weinige zussen, ze werden allen voor ons door GAL uitgebeeld en opgehangen in een eigenste galerie van galgentronies en galaportretten.
In de jaren zeventig ging Mark Grammens hoe langer hoe meer de weg op van zijn vader-flamingant en in de jaren tachtig week hij resoluut af naar rechts. GAL piekerde er niet over hem te volgen, zou Grammens geleidelijk aan uit het oog verliezen en zien opgaan in het Zwart Blok, nadat de nieuwe allang uit de bocht was gegaan in wat ik maar persperikelen zal noemen.
 
GAL mocht dan de status van journalist verworven hebben, hij behoorde ook tot een kwartet tekenaars, de spitsbroeders Picha, Joke, HugoKÉ en GAL. De één verhuisde naar Frankrijk en het rijk van de tekenfilms, de ander ging dood en de derde laat nog weinig van zich horen. Alleen de vierde hield voet bij stek, ook al ruilde hij de tekentafel geregeld voor een lessenaar en doet hij dat nog altijd; geen slechte zaak, omdat hij als leraar moet “bij” blijven in het wisselverkeer tussen gebruikelijk en nieuw, tussen ouder en jonger.
GAL mocht dan zijn eigenste blad verloren hebben, hij was gaan behoren tot de stal van Karel Anthierens, een ambulante journalist, eind- of hoofdredacteur met een zwak voor cartoonisten. Anthierens bood zijn uitverkorenen een ruimte tussen de tekstkolommen aan, schoof hen hele en halve bladzijden toe. Zo debuteerden Zak, Kamagurka, Royer, Pirana, Benoît en anderen en zo bleef GAL aan het werk, werd hij een vaste waarde in Knack en gasttekenaar in Panorama. En van het één is het ander gekomen, door Anthierens geplaatst en door anderen gevraagd, Oxfam en de Wereldwinkels, Caritas Catholica, EPO, de Belgische Cardiologische Liga, alles bij elkaar te veel opdrachtgevers om op te noemen. Er stak of steekt geen goed doel of gerechtvaardigd protest de kop op in Vlaanderen of GAL trok en trekt mee de kar – als een boerenpaard. Logo’s, affiches, boekomslagen, etiketten, hij zet zich aan alle soorten grafisch werk. Tien jaar geleden illustreerde hij het programma van de Kommunistische Partij, vorig jaar een bundel van Kristien Hemmerechts.
Want ja, ook GAL neigt in dit fin de siècle, in zijn midlife-time, naar het intimistische, tot en met autobiografische werk. Misschien kan hij zich voor die gelegenheden een minder bijtende naam aanmeten óf naar de handtekening onder zijn allereerste werk teruggrijpen: Alsteens, toch ook een beeldrijk woord.
 
Maar, Gerard Alsteens of GAL, hij zal altijd zichzelf blijven: als mens waarden- en beginselvast, als tekenaar geen duimbreed van zijn gedachten afwijkend. Die laatste trek heeft hij gemeen met – of afgekeken van – een van zijn huidige spitsbroeders, een andere Anthierens, Johan, die wekelijks met GAL overlegt welke antipaapse zet zij nu weer zullen doen en hoe ze deze of gene politicus zullen scalperen.
Welke tekening van GAL je ook onder ogen komt, één dieptelijn vind je er altijd in terug: het onderwerp ráákt hem. Alsof hij immuun is voor het cynisme, de onverschilligheid, de vermoeidheid of de ontmoediging die onder zijn leeftijdgenoten woekeren. Heel lang geleden is GAL ermee begonnen het maatschappelijke leven nieuwsgierig te bekijken en zich de hele wereld aan te trekken, ermee te huilen en erom te lachen. Die houding heeft hij ooit als een mantel omgeslagen en nooit afgelegd – om, naar hij zelf zegt, de warmte van goedheid te kunnen voelen en niet door de kilte van egoïsme te worden aangetast.
Soms is zijn betrokkenheid bij een onderwerp zo groot dat ze verontwaardiging wordt en tot Boodschap wordt verpakt. Dat maakt zijn werk zo uniek en daar zit hem het onderscheid met het werk van zijn collega’s-cartoonisten. Die beschrijven de politieke werkelijkheid en maken er zich vrolijk om. Ze relativeren. GAL duidt de politieke werkelijkheid en karikaturiseert ze tot rake humor óf bloedige ernst. Hij interpreteert, wil zijn kijkers met een indringend en onvergetelijk beeld wakker houden. Zo komt het dat Filip Dewinter van het Vlaams Blok, die in tekeningen van lan of Zak rondloopt als eentje van de club, in tekeningen van GAL de slechtste van de bende is, erger nog: de vijand.
Er is bovendien iets anders waardoor het werk van GAL verschilt van dat van zijn collega’s, zowel journalisten als cartoonisten: hij geeft aan een voorbijgaande gebeurtenis een blijvende betekenis, heft zijn onderwerpen op van het anekdotische niveau naar het veelzeggende, van een loutere uitbeelding naar een artistieke prent. Dát is nu net zijn talent, maar ook het resultaat van zijn opleiding en zijn recente experimenten met verschillende grafische technieken.
 
Het plattelandsjongetje dat zo mooi een boerenpaard had getekend, bracht en brengt het wel en wee van de wereld in de tweede helft van de twintigste eeuw vlijmscherp, spottend, ontmaskerend, ontheiligend, partijdig – want steevast kiezend voor de armen, zwakken, onderdrukten, uitgebuiten – in beeld. Hij gaf de Vlamingen een visueel geheugen.
De Vlamingen, zeg ik, en helaas niet de burgers aller landen. GAL ging een paar keer op de internationale toer, telkens succesrijk maar ook tijdelijk. De dingen des levens hielden hem thuis. Niemand wierp zich op als zijn promotor in het buitenland, niemand zag in hem een Vlaamse ambassadeur avant la lettre. Zo komt het dat beklijvende beelden – de zwarte die zich van de blanke ontdoet als van een etterende puist, of de wereldbol waarvan de bekleding bovenaan mooi borduurwerk is en onderaan in lorren hangt, of de Vietnamtragedie – enkel aan ons, Vlamingen, zijn gegeven en dat de buitenwereld nauwelijks weet welk een schat aan tijdsbeelden wij in huis hebben en dankzij dit boek aan onze kinderen doorgeven.
 
Brigitte Raskin zomer 1995

De tekst van het boek GAL: de overspannen jaren is hier integraal terug te vinden.